Social media

Sinds kort is het LGOG ook te vinden op social media! Klik hier voor uitleg. 

Provincie Limburg

Terugblik

Middagexcursie Zollmuseum Friedrichs op De Locht, 18 februari 2017

(in samenwerking met de Deutsch-Niederländischen Gesellschaft (DNG) zu Aachen e.V.)

Heel soms worden alle verwachtingen van een museum overtroffen. En dat is afgelopen zaterdag zeker het geval geweest.

Het Zollmuseum is een EYE-OPENER en AANRADER voor iedereen die geïnteresseerd is in regionale – en grensgeschiedenis. En na een bezoek (met zeer deskundige en enthousiaste rondleiders) aan dit geweldige museum zal ook de belangstelling van ‘nog niet belangstellenden’ zijn gewekt.

Voor meer informatie en/of een bezoek: zie http://www.zollmuseum-friedrichs.de























 

Geslaagde bijeenkomst met Wiel Kusters, Ben van Melick en Lou Spronck over de geschiedenis van de literatuur in Limburg, 23 januari 2017


Maandag 23 januari stond bij het Koninklijk LGOG kring Parkstad Limburg in het teken van het recent verschenen werk Geschiedenis van de literatuur in Limburg.

Tijdens de avondbijeenkomst op het Bernardinuscollege in Heerlen spraken twee van de drie samenstellers, Ben van Melick (oud-docent Nederlands) en Wiel Kusters (emeritus hoogleraar Algemene en Nederlandse letterkunde aan de Faculteit Cultuur- en Maatschappijwetenschappen van de Universiteit Maastricht), terwijl Lou Spronck (rector Jeanne d’Arc College in Maastricht) ook nog een korte toegift gaf.

De geschiedenis van de literatuur in Limburg is uniek en heeft een bijzondere kleur doordat naast werken in het Nederlands ook geschriften/teksten in het dialect, Neo-Latijn en in de Franse en Duitse taal zijn verschenen. Veel Limburgers, vooral in de 19e eeuw, spraken naast hun dialect het Nederlands (vanaf 1867 de officiële landstaal) ook de Franse taal en in Sittard en omgeving (Guliks gebied) en in de regio Parkstad Limburg kwam daar het Duits bij.

Bij het samenstellen van deze unieke Geschiedenis van de literatuur in Limburg moest men niet alleen keuzes maken tussen Nederlandse literatuur maar ook van literatuur in bovengenoemde talen. Overige beoordelingscriteria waar de redactie mee te maken kreeg, waren o.a. de geografische begrenzing en het literaire terrein als zodanig.

Ben van Melick concentreerde zich deze avond op de uitgangspunten, aanpak en resultaten van de commissie Literatuurgeschiedenis van het LGOG. En na de pauze liet hij vooral zien hoe modern en vooruitstrevend Heerlen in de vorige eeuw zich in Limburg onderscheidde op het gebied van de literatuur en overige kunsten. Heerlen mocht zich terecht Cultuurhoofdstad van Nederland noemen.

Wiel Kusters bracht behalve Pierre en diens broer Mathias Kemp ‘onbekende en vergeten’ dichters en schrijvers tot leven zoals pater Hilarion Thans, volgeling van Franciscus van Assisi en Paul van Hoensbroek. Zijn grootste ode bracht hij aan Jacob Hiegentlich (1907-1940). Een Joods schrijver uit het interbellum die zich in de jaren dertig van de vorige eeuw op paradoxale wijze tegelijk thuis en ontheemd voelde in het roomse Roermond (Peter Nissen). In het ‘zotte vleesch’ werden ‘bekende figuren uit het Roermondse leven op niets verbloemende wijze geportretteerd. En het boek ‘Met de stroom mee’ dat in 1946 postuum verscheen, had veel gemeen met het schitterende Mephisto, Roman einer Karriere van Klaus Mann. Boven alles liet Wiel Kusters zien hoe actueel Jacob Hiegentlich destijds was, en dat thans opnieuw is.

Hopelijk mogen Ben, Wiel en Lou nog op veel plaatsen hun kennis over de Limburgse literatuurgeschiedenis voor- en uitdragen. Ze zijn gepassioneerde ambassadeurs van onze cultuurgeschiedenis.


Excursie Der grosse Krieg im Grenzland, 22 maart 2014

In samenwerking met de Deutsch-Niederländische Gesellschaft zu Aachen organiseerde LGOG kring Parkstad Limburg de excursie “Der Grosse Krieg im Grenzland” op zaterdag 22 maart 2014.

Introductie dr. Herbert Ruland

Onder de bezielende leiding van Dr. Herbert Ruland (gespecialiseerd in “Grenzgeschichte”) waren wij (62 personen) van 9.00 tot 19.00 uur onderweg. Aangezien de bus al snel was volgeboekt konden jammer genoeg een aantal geïnteresseerden niet deelnemen aan de excursie.

Honderd jaar geleden brak de Eerste Wereldoorlog uit. Als onderdeel van het “Schlieffenplan” trokken in de vroege morgen van 4 augustus 30.000 Duitse soldaten het neutrale België binnen.

Aandachtige luisteraars Am Garnstock waar de Duitsers over de grens trokken

Een brigade kwam uit Aken en trok over Gemmenich richting Visé. Op hevige Belgische tegenstand werd niet gerekend. Dr. Herbert Ruland liet ons, vergezeld van deskundige uitleg, de meest tot de verbeelding sprekende locaties in het Duits-Belgisch-Nederlandse grensgebied zien.
Bij de kerk van Baelen

De excursie begon in Eupen. Via Baelen (kerk, kerkhof, oorlogsmonument)

Oorlogsmonument van Baelen

en de Neutralstrasse bereikten we Welckenraedt. Ter hoogte van de brug ligt aan de ene zijde van de weg het huidige treinstation Welckenraedt en aan de andere zijde lag het voormalige eerste Europese grensstation Herbesthal (1843).

Voormalig postkantoor bij grensstation Hergenrath

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was dit station van cruciaal belang voor de bevoorrading van de Duitse soldaten in Vlaanderen. Gelukkig bestaan er concrete plannen om het afgebroken treinstation weer te herbouwen (inclusief keizerzaal).

Uitleg over de historie van station Hergenrath

Vervolgens reden we naar Kelmis, waar we ons bezig hielden met het “vergeten land van Neutraal Moresnet”, een curiosum dat van 1815 tot 1914 bestaan heeft.

Kerkhof bij spoorwegviaduct van Moresnet

We stonden stil bij het nu nog hoogste en langste Belgische spoorwegviaduct van Moresnet, onderdeel van de “Groener-Linie”, die de door het neutrale Nederland lopende IJzeren Rijn moest vervangen. De brug is aangelegd door Russische krijgsgevangenen, waarvan een groot deel het niet overleefd heeft.

Spoorwegviaduct van Moresnet

Bij het Drielandenpunt konden we in de Grenssteen een riante lunch

nuttigen om vervolgens te luisteren naar het verhaal van het voormalige Vierlandenpunt.

Uitleg over het voormalige Vierlandenpunt

In Vaals bezochten we de grensovergang de “Kleng Wach”. Van hier kon de Vaalser bevolking de Duitse opmars gade slaan. Hier begon ook de elektrische “Todeszaun” die Aken tot aan de Vlaamse kust België hermetisch af moest sluiten van het neutrale Nederland. Dit kostte ongeveer 3000 mensen het leven.

Bij het oorlogsmonument van Piet Killaars in Vaals

Via kasteel Beusdael (monument slachtoffers Todeszaun) en Thimister (graf van Antoine Fonck, de eerste gesneuvelde Belgische soldaat) gingen we naar Melen bij Herve. Hier werden in een weiland 124 (!) burgers, waaronder kinderen, vrouwen en grijsaards, doodgeschoten. De graven met foto’s van de slachtoffers maken nog steeds een diepe indruk.

Ondanks dat de weergoden ons niet gezind waren, hebben we een prachtige dag gehad waarin we veel hebben gezien en gehoord over de geschiedenis van dit uniek stukje België, Duitsland en Nederland.

Ellie Peerboom – van der Meer, secretaris LGOG kring Parkstad Limburg



Lezing spoorweggeschiedenis Zuid-Limburg, 27 januari 2014

Op 27 januari 2014 hield Jos Geilen een enthousiaste en interessante lezing over “Van Aachen-Maastrichter-Spoorwegmaatschappij (A.M.S.M.) tot Zuid-Limburgse Stroomtrein Maatschappij oftewel 160 jaar spoorweggeschiedenis in Zuid- Limburg. Een mooie PowerPoint presentatie illustreerde zijn chronologisch opgezet verhaal over een grensoverschrijdend thema.

Om het geheel in de context van de tijd te plaatsen nam hij ons mee naar België alwaar in 1835 de eerste spoorlijn tussen Mechelen en Brussel werd geopend. In Duitsland gebeurde dit in hetzelfde jaar tussen Nürnberg en Fürth. Maar Nederland volgde pas in 1839 met de eerste spoorverbinding tussen Haarlem en Amsterdam.
In 1831 wilde de Waalse staalproducent Cockerill al een spoorweg aanleggen tussen Maastricht en Aken. Dit werd indertijd door België (Hasselt) afgewezen. Toen hij het plan in 1835 opnieuw aan de orde stelde werd het door Nederland verworpen.
Maar het tijdperk van de industrialisering was ingezet en niet meer te stoppen. En het waren “de industriëlen” die het belang van snelle en goede verbindingen tussen de productieplaatsen en het afzetgebied inzagen.
Aken was al vanaf 1841 per spoor vanuit Keulen bereikbaar. De verbinding naar het westen (Maastricht) werd in 1853 en de verbinding naar het noorden (Herzogenrath en Mönchengladbach) in 1858 gerealiseerd.

Oprichting A.M.S.M. en de spoorverbinding Aken - Maastricht

Tussen 1841 en 1842 werden opmetingen gedaan om een spoorverbinding aan te leggen tussen Maastricht en Aken. Het traject zou grotendeels de loop van de Geul volgen. Een van de problemen was het hoogteverschil tussen Maastricht en Bocholtz. Dit was 94.25 meter op 19.33 km!
Het duurde tot 21 juli 1845 alvorens de Aken-Maastrichtse-Spoorweg-Maatschappij werd opgericht oftewel de Aachen-Maastrichter-Eisenbahn-Gesellschaft want alles was in twee talen opgesteld. In het voorjaar van 1846 werd gestart met de aanleg. Vetschau was/is de officiële grensovergang. Omdat de gemeente Bocholtz geen treinstation/douanekantoor wenste, kwam deze in 1853 in Simpelveld te liggen. Dit heeft Simpelveld bepaald geen windeieren gelegd. Aangezien het station/douanekantoor al snel te klein was, werd tussen 1908 en 1910 nieuwbouw gepleegd. Dit station is nu de thuisbasis van de Z.L.S.M.

Deeltraject Simpelveld – Valkenburg

Er kwamen haltes en stations . Zo werd In Eijs-Wittem een halte aangelegd voor pelgrims naar St. – Gerardus in Wittem en werd Schin op Geul een gewone halteplaats. Wylre daarentegen kreeg een relatief groot station omdat de Brand bierbrouwerij gebaat was bij goede transportverbindingen. Sinds de invoering van de stoommachine was de productie flink verhoogd en had het nieuwe afzetgebieden gevonden. Daarbij werd Wylre (dankzij de LTM) ook een overstapplaats van de bus op de trein en andersom.
Het stationsgebouw van Valkenburg werd ontworpen door Jacobus Enschedé. Hij had zich hierbij laten inspireren door het paleis van koning Willem II in Tilburg. In 1890 werden twee vrijstaande gebouwtjes aan de zijkanten gesloopt om plaats te maken voor langere vleugels.
Hierna kwam het vervolgtraject naar Maastricht met de bijbehorende stationsgebouwen uitvoerig aan de orde.
In 1865 was het traject Maastricht – Sittard – Roermond – Venlo – Nijmegen tot stand gekomen. Ook over het deeltraject Maastricht - Sittard kon Jos Geilen ons veel vertellen en laten zien.

Deeltraject Sittard – Heerlen

Nadat men in Heerlen e.o. “de rijke kolenlagen” had ontdekt, werd de ontginning hiervan en een aansluiting op het grote spoorwegstelsel een must. In 1888 had Henri Sarolea al een plan ingediend voor het traject Eindhoven – Weert = Wessem – Sittard – Heerlen – Herzogenrath. In 1891 werd de Nederlandsche- Zuider – Spoorweg - Maatschappij opgericht en op 30 april werd de spoorlijn Sittard- Heerlen – Herzogenrath feestelijk geopend. Jos Geilen liet ons zowel de originele stationsgebouwen van Nuth, Hoensbroek, Schaesberg alsook die van Rolduc zien.

Overige spoorwegaansluitingen van Heerlen

In 1914 werd het traject Schin op Geul – Heerlen door de Staatsspoorwegen geopend. Hierdoor kon men nu ook vanuit Heerlen via Schin op Geul naar Maastricht reizen. Maar het duurde tot 1925 voordat met de aanleg van de spoorlijn Schaesberg naar Simpelveld begon. Dit stuks spoor (12,5 km) heeft indertijd bijna 20 miljoen gulden gekost. Heel toepasselijk heeft het ook de naam miljoenenlijntje gekregen. De voor die tijd hoge kosten werden veroorzaakt door het heuvellandschap.
Op 15 juni 1934 kwam het geheel klaar als goederenspoorlijn maar het mocht pas vanaf 12 mei 1949 voor het vervoer van personen worden gebruikt. Tot die tijd was het station van Kerkrade Centrum niet in gebruik.

Z.L.S.M.

Na de opheffing van de treindienst Kerkrade-centrum – Simpelveld – Valkenburg in 1988 was er in dat jaar de oprichting van de stichting ‘Zuid-Limburgse Stoomtram Maatschappij’, een naam die niet veel later gewijzigd zou worden in “Zuid-Limburgse Stoomtrein Maatschappij’.
Dat deze stichting juist op tijd was opgericht bleek in 1992 want toen werd ook de treindienst tussen Maastricht en Aken via Simpelveld gestaakt. Nederlands enige bergspoorlijn dreigde verloren te gaan, maar sinds 1995 werd weer, nu met stoom en diesel, gereden tussen Kerkrade-centrum en Schin op Geul. Sinds 2007 is het eindpunt van de Z.L.S.M. station Valkenburg aan de Geul.
Eind 2012 dreigde de Z.L.S.M. door dalende bezoekersaantallen en exploderende exploitatiekosten failliet te gaan, maar door tijdige financiële ondersteuning van provincie en gemeentes langs de lijn werd dit voorkomen.Het onderhoud van deze spoorlijnen en gebouwen is nu in handen van de provincie.
De Z.L.S.M. gaat een nieuwe start maken en nog meer werk maken van haar ideaal om dit bijzondere Limburgs erfgoed levend te houden. De geschiedenis van een 160 jaar oud baanvak zal in de komende jaren zeker niet worden afgesloten.


18 februari 2014

Ellie Peerboom – van der Meer.
secretaris LGOG kring Parkstad Limburg

 

 
Cross country in Heerlen anno 1862

Na het midden van de vorige eeuw verdwenen de paarden uit het straatbeeld. Na “de geur van kolen” zou je het ook over de geur van paarden kunnen hebben en de hele cultuur die daar bij hoort. Kennen jonge mensen nog het begrip “peeëdskuttelen”? Net als in de grote mensen samenleving had je een enorm standsverschil binnen de paardenwereld. Naast boerenpaarden had je als statussymbool herenpaarden, met aan de top het succesvolle racepaard.

In september 1862 organiseerde baron Otto Napoleon de Loë-Imstenraedt een paardenrace rond Terworm. Een in deze streek ongeëvenaard aristocratisch festijn, waar heel Heerlen en omgeving zich aan vergaapte. De ruim vertegenwoordigde adel – met paard of als ruiter – kwam uit het Duitse Rijnland, België en Nederlands Limburg. In de wei van Boumans was de start en de finish. Een pittig parcours was uitgezet met de nodige heggen en sloten.

Het werd een prachtige dag. In de vroege ochtend kwamen vanaf ongeveer 7 uur van alle kanten vreemdelingen Heerlen binnen. Ook de nodige equipages van de uitgenodigde adellijke gasten werden gesignaleerd op weg naar Terworm. Het werd lekker druk, en tegen het middaguur was het zo vol als men zelden in het dorp had gezien. Tegen 13..00 uur trok men massaal naar het landgoed. De meesten zochten een plaatsje in de “Geleener Bend”, omdat daar een vijftal interessante sprongen waren te zien.

In de Limburger Coerier werd verslag gedaan van een spannende wedstrijd. Aanvankelijk lag een voskleurig paard op kop, eigendom van de graaf Von Fürstenberg en bereden door de prins van Ligne. Majesteitelijk vloog hij over de ter plaatse opgestuwde Geleenbeek, die daar een dikke zes meter breed was. Korte tijd later slaagden ook de nummers twee en drie er bijna gelijktijdig in om deze hindernis te nemen. Met nummer vier kreeg het publiek toch waar het voor kwam: paard en ruiter belandden in het water. Ook de tweede poging van dit stel om heelhuids over de Geleenbeek te komen, liep slecht af. Nadat de ruiter weer was opgekrabbeld, verliet hij met zijn gehavende paard de strijd. Na een spannende eindspurt won het paard van de graaf Von Metternich, bereden door de graaf Von Westphalen. De prijs voor de overwinning mocht er zijn: een massief zilveren hert met een waarde van 1200 Nederlandse guldens.

Achteraf volgde uiteraard een groots feest voor de genodigden, waarop society watchers hun ogen uit gekeken zouden hebben.

Onderzoek: Mark van Dijk, gepubliceerd in Land van Herle (1999)

Redactie: Martin van der Weerden


Emigreer in eigen land!

Toen mijn vader in 1961 op 43-jarige leeftijd overleed, bleef mijn moeder radeloos achter met drie jonge kinderen. Van het weduwepensioen kon ze net niet rondkomen en de hulp van de kerk bleef beperkt tot een tweedehands communiepakje voor een van de kinderen. Maar gelukkig waren er ome Hans en tante Liesbeth.

Pap had Hans leren kennen via “de bond”, de verkeerde bond welteverstaan, want pap en Hans behoorden tot de rooie familie. Toen waren deze aanhangers van Willem Drees een beperkte minderheid in dit zwaar katholieke bolwerk. Dat betekende roeien tegen de stroom in. Bij ontslagen was je de eerste en als je een woning wilde de laatste.

Hans was geboren in Friesland. Hij had al vroeg beide ouders verloren en gedreven door armoede zocht hij een goed belegde boterham in de Oude Mijnstreek. Hij was er niet de enige noorderling. Aangestoken door wervingscampagnes in plaatsen als Leeuwarden, Heerenveen en Sneek kwamen in de jaren ’30, ’40 en ’50 van de vorige eeuw vele honderden jonge mannen zoeken naar de rijke toekomst die hen in de “Nederlandsche mijnen” voorgespiegeld werd. Velen gingen al snel weer terug. Die vonden het maar niks. Zwaar was het zeker. De verhalen zijn legio van jongens die het precies één dag onder de grond volhielden. Andere Friezen vinden de weg omhoog. Zo schoppen verschillende nakomelingen van voormalig turfsteker Posma het tot mijningenieur.

Zo’n dertig jaar zijn er in Zuid Limburg Friese verenigingen, Fryske Kriten, actief geweest die elke zondag kaatsen en dergelijke organiseerden of Friese artiesten lieten optreden in Heerlen en Geleen. Door de opkomst van de televisie én de mijnsluitingen kwam er een einde aan dit Friese verenigingsleven in Limburg.

Hans ontwikkelde zich voorspoedig. Hij werd explosievenspecialist. Hij kon zijn vrouw en drie kinderen een stukje welvaart leveren. Met alleen maar lagere school ontwikkelde hij een grote liefde voor boeken. Naast een literaire belangstelling leerde hij zich zelf economie en Engels. Hij correspondeerde op den duur in grammaticaal correct Engels. Hij wist alleen niet hoe hij het moest uitspreken. De avonduren en weekenden besteedde hij aan vakbondswerk en het helpen van gezinnen die het minder goed getroffen hadden. Zijn drie kinderen gaan wel studeren en komen goed terecht.

Voor Hans is er echter geen happy end. Zijn gezicht wordt ontsierd door een mijnexplosie en zijn laatste jaren komt hij zijn woonkamer in Nieuwenhagen niet meer uit, gekluisterd aan de zuurstoffles. Hij heeft amper nog longcapaciteit vanwege mijnstof.

Martin van der Weerden

Met dank aan Pier Idsardi


Lezing Slot Schaesberg, 18 november 2013

Op 18 november 2013 gaf Hilde Vanneste, regioarcheoloog van Parkstad Limburg, een lezing over Kasteel Schaesberg en zijn hoeve.

Het kasteel is een van de weinige bouwwerken in de stijl van de Maaslandse Renaissance en zal in de toekomst herbouwd worden, waarbij ook de omringende gronden ontsloten zullen worden.

In de lezing werd echter niet ingegaan op deze toekomstplannen, maar op de geschiedenis van het kasteel, waarbij een kritische blik op de opgravingsgeschiedenis niet werd geschuwd. Vooraleerst er begonnen werd met deze opgravingsgeschiedenis is er vanuit diverse onderzoeksdisciplines ingegaan op de geschiedenis van het kasteel en het adellijke geslacht Van Schaesberg.

De huidige resten van het kasteel dateren van het einde van de 16e en het begin van de 17e eeuw, maar de vroegste bouwfasen zijn te herleiden tot het begin van de 14e eeuw. In deze vroegste fase is de familie Van Schaesberg al verbonden met het gebied Schaesberg. Het kasteel is in de volgende eeuwen steeds verder uitgebreid, waarbij de karakteristieke speklagen niet mochten ontbreken. Deze stonden symbool voor de rijkdom en de macht van de familie. In de 20e eeuw beleefde het kasteel roerige tijden, waarbij het geconfisceerd is geworden door de staat, gekocht door de gemeente Heerlen, de hoeve is uitgebrand en afgebroken en het kasteel uiteindelijk is vervallen tot zijn huidige beklagenswaardige staat.

De vele kennis die vanuit diverse invalshoeken al vergaard is over het kasteel en het geslacht getuigt van een decennialange interesse in deze materie. Deze interesse leidde in de jaren ’70 en ’80 van de 20e eeuw tot bouwhistorisch onderzoek van de TU Delft. Hier was jammer genoeg geen verslaglegging aan gekoppeld, wat een archeologische interpretatie van dat onderzoek bemoeilijkt.

Er is de afgelopen jaren archeologisch onderzoek gedaan door diverse onderzoeksbureaus. Dit heeft heel wat nieuwe informatie heeft opgeleverd, maar toch ook veel vragen opgeroepen. Nieuw archeologisch onderzoek van de voorhoeve (waar dit mogelijk is) zou dan ook een unieke kans bieden om meer te weten te komen over de geschiedenis van de kastelen in Limburg in het algemeen en kasteel Schaesberg in het bijzonder.

Anke Wolters, archeologe en bestuurslid kring Parkstad Limburg

 
Excursie naar het Freilicht Museum in Kommern, 15 juni 2013

Met een select gezelschap vertrok de kring Parkstad op zaterdag 15 juni stipt om half negen richting Nordrhein-Westfalen om het openlucht museum te bezoek in Kommern. Hier zijn gebouwen uit diverse regio’s en tijdsperiodes (vanaf de 16e eeuw) heropgebouwd in een park van ongeveer 95ha. De zeer capabele chauffeur reed ons naar het museum via de secundaire wegen zodat we ook ten volle van het landschap konden genieten.

Eenmaal aangekomen in het museum werden we verwelkomd met een welverdiende Kaffee und Kuchen na de stijle klim om de ingang te bereiken.

Na de versnaperingen werden we hartelijk ontvangen door een Vlaamse gids die ons rondleidde door het grootste deel van het museum. Hij probeerde ons in de twee uur durende rondleiding een overzicht te geven van het leven en werken voor de moderne tijd. Hij wees ons eveneens op de verschillen in de volksaard die weerspiegeld werden in de architectuur en de plaatsing van de gebouwen. Door de heropbouw van authentieke gebouwen, de exploitatie van groentetuinen en het houden van vee kregen wij een beter inzicht in het leven zonder al onze moderne gemakken. Natuurlijk moet men in het achterhoofd houden dat de bewaard gebleven gebouwen de levensstijl van de rijkere inwoners weerspiegelt, omdat de onderkomens van de armere bevoliking veelal niet bewaard gebleven zijn.

Na een ruime middagpauze verzamelde de groep zich rond twee uur bij het tentoonstellingsgebouw in het park waar we de tentoonstelling “Wir Rheinländer” bezochten. Hier wordt de geschiedenis van het Rijnland weergegeven van de Napoleontische periode tot aan de wederopbouw (1794-1955). De tentoonstelling is opgezet als een fictieve stad ‘Rhenania’ waar men binnen kan kijken bij de mensen uit een bepaalde tijdsperiode. De façades en interieurs van de huizen weerspiegelen de belichte periode en veranderen mee naarmate de tentoonstelling vordert. Er zijn ook levensgrote poppen opgesteld in passende historische kledij, die tezamen met de kleine tentoonstellingsruimten onze kennis over het Rijnland trachten te vergroten. De groep was danig onder de indruk van de opzet van de tentoonstelling en deze vormde dan ook een bijzonder interessante afsluiting van een enerverende dag.

Anke Wolters

 
Excursie naar Röhndorf, Königswinter en Schwarzreindorf, 20 april 2013

Op de zonnige zaterdagochtend van 20 april, vertrok Kring Parkstad Limburg met een bus vol kunst- en geschiedenis-enthousiastelingen richting Duitsland. Eerste stop was het in Bad Honnef-Röhndorf gelegen huis van oud-bondskanselier Konrad Adenauer (1876-1967) met bijbehorend museum. In het museum stonden Adenauer’s professionele verwezenlijkingen centraal en werden behalve zijn politieke carriëre ook zijn uitvindingen belicht, zoals maïsbrood en sojaworst en een nooit-gepatenteerde insectenverdelger (vanwege het levensgevaarlijke karakter van het apparaat voor de mens). De man achter de functie leerden we kennen middels een rondleiding door zijn familiehuis, tuin en tuinpaviljoen die zoveel mogelijk in de originele staat behouden zijn gebleven. Opvallend was dat Adenauer niet alleen een prominent politicus was, maar ook een man die huiselijkheid hoog in het vaandel hield met een passie voor jeu-de-boules en tuinieren.

Optrekje van Konrad Hermann Josef Adenauer in Rhöndorf


Het LGOG voor de deur


Het LGOG achterom

Na een lunch in het pittoreske Winterberg zijn we verder gereden naar dubbelkerk St. Maria und St. Clemens te Bonn-Schwarzreindorf uit het midden van de twaalfde eeuw.

Een kerk met een rijke geschiedenis en een bijzondere Romaanse schilderingencyli. We werden rondgeleid door bouwkundig ingenieur Ellie Peerboom-van der Meer en kunsthistoricus Sander van Daal. Ellie wijdde ons over de Rijnlandse variant van de Romaanse bouwgeschiedenis, de diverse bouwstadia van deze kerk, de specifieke dwerggalerij en de verloren gegane verbinding met de burcht en het klooster. Kunsthistoricus Sander van Daal ontdeed de fantastische Romaanse schilderingen op professionele en enthousiaste wijze van al hun geheimen.

Luchtopname


Impressie interieur


Rondgang dwerggalerij


Als laatste werd Bonn aangedaan, waar solitair of in groep het centrum werd verkend met zijn vele kerken, winkels en terrasjes.

Anke Wolters

 
Lezing De Romaanse kerken van Maastricht, Heerlen en Schwarzrheindorf, 15 april 2013

Aansluitend aan de jaarvergadering van de kring Parkstad Limburg gaven Sandel van Daal en Ellie Peerboom van der Meer een lezing over de gelijkenissen tussen de Pancratiuskerk in Heerlen, de Sint-Servaaskerk van Maastricht en St. Maria- en Clemenskerk in Schwarzrheindorf (Bonn). Deze Romaanse kerken, gebouwd tussen de 11e en 12e eeuw kennen een gelijkvormigheid op vlak van architectuur, sculptuur en schilderkunst.

Hoewel de Romaanse bouwkunst grote regionale verschillen kent zijn in de drie kerken opmerkelijke elementen te ontdekken: paralellen in het westwerk, de dwerggalerij, het zogenaamde ‘Lotharingse bogenschema’ met zijn übergreifende en übergriffene bogen, kapitelen en de plaatsing van de vierpasramen. Duidelijke overeenkomsten in stijl welke in eerste instantie niet eenvoudig te verklaren zijn.

Verbindende factoren tussen deze kerken zijn evenwel ook te vinden in een tweetal historische figuren: Arnold von Wied en Gerhard von Are. Beiden hebben de positie van proost bekleed voor de Sint-Servaaskerk van Maastricht en hebben een rol gespeeld bij de wijzigingen die in laatstgenoemde basiliek zijn aangebracht in de 11e eeuw. Daarbij waren graaf Gerhard en zijn vader van Are, die indertijd Heerlen (Herle) in handen hadden, waarschijnlijk de opdrachtgevers van de Pancratiuskerk in Heerlen. Deze twee grote spelers uit onze regio zijn in verband te brengen met de dubbelkerk in Schwarzrheindorf. Op de (nu verloren gegane) wijdingssteen van de dubbelkerk uit 1151 staat namelijk een lijst van alle hoogwaardigheidsbekleders die bij de wijding aanwezig waren. Prominent vermeld staan Arnold van Wied en Gerhard von Are!

Deze opmerkelijke vondst werpt een heel nieuw licht op de overeenkomsten tussen de drie kerken, die naar alle waarschijnlijkheid verklaard kunnen worden door de aanwezigheid van deze twee spilfiguren die hun invloed uit hebben weten te oefenen tot ver buiten de regio.

Anke Wolters


Excursie naar Rupelmonde en kasteel Wissekerke, 15 september 2012

De kring maakte op zaterdag 15 september een excursie naar Rupelmonde en kasteel Wissekerke (bij Antwerpen). Hieronder een fotografisch verslag, samengesteld uit door Jos Krüll gemaakte foto's.


De Onze Lieve Vrouwekerk te Rupelmonde


Onze Lieve Vrouwekerk te Rupelmonde, binnenzijde


Standbeeld van Mercator in zijn geboorteplaats Rupelmonde


Replica van de globe van Mercator in de Graventoren te Rupelmonde


In de getijdemolen te Rupelmonde


De 'naakte madam' toont uitdagend haar achterwerk naar de haven van Rupelmonde


Ingang van kasteel Wissekerke


Kasteel Wissekerke


Huiskapel van kasteel Wissekerke


In kasteel Wissekerke


Egyptische zaal op de bovenverdieping van kasteel Wissekerke

Lezing Vasteloavend in Limburg; een feest met vele gezichten, 15 februari 2012

In onvervalst Kerkraads dialect en met veel passie en enthousiasme gaf Kitty Jansen-Rompen in een helder en duidelijk betoog weer dat Vasteloavend in Limburg een feest met vele gezichten is.

Carnaval is een feest van alle tijden en werd niet altijd even uitbundig gevierd. Allerlei groepen in de samenleving vierden op hun eigen manier carnaval. Elke groep gaf het feest een eigen uiterlijke vorm en een eigen betekenis. En elke keer dat het feest opleefde, werd er teruggegrepen op oudere tradities.

In het eerste gedeelte van de lezing werd aandacht besteed aan de manier van “carnaval vieren” tijdens de Middeleeuwen en in de 18e en 19e eeuw. En zoals dit in de loop van de 19e eeuw over waaide vanuit het Rijnlandse carnaval naar Limburg.

In het gedeelte na de pauze werd verder ingegaan op de ontwikkelingen in de 20e eeuw. Het feest dat nu steeds meer georganiseerd wordt door daarvoor speciaal opgerichte carnavalsverenigingen.


Lezing Limburgs schutterswezen, 19 januari 2012

Op 19 januari 2012 gaf Luc Wolters een indrukwekkende lezing met het nodige beeldmateriaal over de historie van het Limburgse schutterswezen. Tevens waren enkele leden van de Heerlense Stadsschutterij met een aantal bijzondere attributen aanwezig zijn. In de pauze gaven zij met veel verve de nodige uitleg en toelichting hierover.

De lezing droeg een historisch karakter waarbij vragen aan bod kwamen zoals: hoe zijn schutterijen en broederschappen ontstaan? Hoe is het schutterswezen historisch gegroeid? Hoe verliep deze ontwikkeling in de steden en op het platteland en wat kunnen we daarvan lokaal, bijvoorbeeld in Heerlen, herkennen? Wat waren in vroeger eeuwen de taken en bezigheden van de schutterijen?

Na afloop hadden de aanwezigen een goed beeld hoe de rijke schutterstradities zich tegenwoordig nog uiten in het patroon van activiteiten: het vogelschieten, het begeleiden van de proces­sie, patroons-dagviering en het ten grave dragen van leden. Tevens had men een goed beeld gekregen over de organisatie van het schutterswezen, van de bonden en de federatie, de wijze van het schieten maar ook op de problemen waar schutterijen hierbij op stoten.

Ook de samenstelling van de schutterij, de betekenis van militaire rangen en de functies van bielemannen en marketentsters, koningsparen en keizers met hun zilveren schilden zijn uitvoerig behandeld.

Ellie Peerboom – van der Meer

 
Excursie Zoutleeuw en Diest, 22 oktober 2011

Zoutleeuw
Zoutleeuw is een kleine stad in de provincie Vlaams-Brabant. De stad ligt in het Hageland (aan de grens met de Haspengouw). In de middeleeuwen lag Zoutleeuw aan de belangrijke handelsweg tussen Brugge en Keulen. Tot de 15e eeuw stond het bekend om zijn lakennijverheid. Zoutleeuw ontving belangrijke privileges van de hertogen van Brabant, maar moest als tegenprestatie het territorium tegen invallen uit het prinsbisdom Luik verdedigen. Hiertoe werd de stad rond 1330 met een sterke verdedigingsmuur omgeven. Aan de Markt bevindt zich een fraai ensemble van gebouwen uit de middeleeuwen en de renaissance. De trots van Zoutleeuw is de gotische Sint-Leonarduskerk.

De tijd lijkt stilgestaan te hebben. De St. Leonarduskerk domineert het kleine stadje en levert van alle kanten fotogenieke plaatjes.

Het monumentale bouwwerk staat vol met kostbaarheden, waaronder een zes meter hoge paaskandelaar en een enorme Sacramentstoren. Dit tabernakel is rijk versierd met beeldhouwwerk en reikt tot tegen de gewelven.

De ingang. Vanwege de vele aanwezige eeuwenoude kustschatten is de kerk alleen op afspraak te bezichtigen.

In de 16e eeuw ging de Beeldenstorm aan Zoutleeuw voorbij. Daarmee bleef in de Sint-Leonarduskerk zo’n schat aan middeleeuwse kunst bewaard.

Zoutleeuw is "fier" op het roemrijke verleden, o.a. het raadhuis, een geliefde trouwlocatie.

Tijdens onze stadswandeling hebben we eveneens een bezoek gebracht aan het stadhuis dat stamt uit de 16e eeuw. In de architectuur is zichtbaar, hoe de gotische structuur is beïnvloed door de opkomende stijl van de renaissance.

Onze trouwe leden Theo en Thea rusten even uit.

 

Diest
Ook Diest is gelegen in het oosten van het Hageland, in de provincie Vlaams-Brabant. Deze stad lag eveneens langs de drukke verkeersader tussen Keulen en Brugge. In de 14e en 15e eeuw waren er veel bezochte markten en profiteerde Diest volop van de lakennijverheid en – handel. Diest koestert zijn reputatie als Oranjestad. In 1499 kwam het in handen van graaf Engelbrecht II van Nassau (heer van Breda). Hierna bleef de stad bijna 300 jaar in bezit van de graven van Nassau, later prinsen van Oranje. Tijdens deze wandeling hebben we een bezoek gebracht aan de Sint Sulpitiuskerk (die dateert van de 14e tot en met de 16e eeuw) en het eeuwenoude Begijnhof, dat een wereldje op zichzelf is.

Toegangspoort van een van de best bewaard gebleven begijnhoven.

Het behoort tot de oudste, grootste en best bewaarde begijnhoven van de Nederlanden.

Voor de St.- Catharinakerk een uitbundige uitleg door de gids over het ontstaan van het Begijnhof dat sinds 1998 op de werelderfgoedlijst van de Unesco staat. Hierna volgde een gedetailleerd verslag van het dagelijkse leven van de bewoners.

Sinds 1998 staat het op de werelderfgoedlijst van de Unesco.

Na een kostbare renovatie is de fraaie binnenzijde van de kerk weer een juweel voor het oog.


De laatste begijntjes van Diest.

De wandeling begint en eindigt op de Grote Markt, met zijn prachtige gildehuizen en patriciërswoningen.

Op de markt uitleg over het historische Diest door een van de rondleiders. Dit was het begin van een wandeling door het eeuwenoude centrum van Diest bij stralen helder najaarsweer.

 

Excursie Geldern, 16 april 2011

Om 8.30 uur vertrok een goed gevulde bus naar het Duitse Geldern. Via een omweg langs kasteel Hoensbroek bereikten we rond 10.00 uur het kleine plaatsje vlak over de grens bij Venlo. Na een korte pauze vertrokken we naar Schloss Haag.

Dit stamslot behoort aan de Gelderse tak van de familie von und zu Hoensbroech. Dezelfde familie van het stamslot Kasteel Hoensboek. Het eigenlijke slotgebouw is tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog geheel verwoest.

Een deel van de gebouwen is in gebruik voor privé doeleinden van de grafelijke familie en in het overige gedeelte is een restaurant gevestigd. Op de landerijen is een golfbaan aangelegd.
Hierna loodsen onze zeer goed opgeleide gidsen de bus naar de “Villa von Eerde” en de Adelheidskirche. Na de pauze bezoeken we het Refektorium, klooster Nazareth, de Kapuzinerkirche, de Heilig-Geist-Kirche, de Festungsturm en de Kasematten.

Met name de Festungsturm heeft een indrukwekkende geschiedenis meegemaakt. De toren was ooit een onderdeel van de middeleeuwse stad. Nadat hij in verval is geraakt, is hij gebruikt als molen en gevangenis. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij in gebruik als uitkijktoren voor het tellen van de overvliegende Engelse vliegtuigen.

Na de stadswandeling kon iedereen nog even op het terras zitten alvorens we weer huiswaarts keerden.

Ook al heeft het huidige Geldern niet meer de grootte en allure van weleer, een bezoek aan deze stad is zeker de moeite waard. Er was genoeg te zien en de historische waarde is uniek.

(© foto's: Jos Krüll)

 


Lezing Oostenrijkse woningen, 17 januari 2011

Tijdens deze voordracht ging Paul Borger, van Heemkundevereniging Hoensbroek, in op het fenomeen “Oostenrijkse woningen”. Mooie, houten, alleenstaande huizen die meestal zwart van kleur zijn. Ze staan vaak in groepjes bij elkaar op idyllische plekjes tussen veel groen op een behoorlijke lap grond.

Paul Borger (rechts vooraan) geeft uitleg met behulp van een power point presentatie

Door middel van een gedegen onderzoek en een PowerPoint presentatie liet hij zien hoe deze woningen in Nederland zijn terechtgekomen. En dan ook nog met een flink aantal in de Mijnstreek. Vragen als: “Wanneer en waar kwamen ze vandaan en wie heeft er voor gezorgd dat deze woningen hier terecht kwamen. Welke aannemers hebben ze gebouwd?”, werden systematisch beantwoord.

De examenzaal van het Heerlense Bernardinuscollege was groot genoeg voor de 110 belangstellenden, veelal (ex-)bewoners van de Oostenrijkse woningen

 

Lezing Aspecten van de negentiende eeuw: voeding en water, 20 oktober 2010

Tijdens deze informatieve en culinaire avond gingen Martin van der Weerden, in samenwerking met Hans Bilo en Roelof Braad in op de aspecten van voeding en water in de negentiende eeuw. Een eeuw waarin veel grote veranderingen op politiek, militair, economisch en cultureel gebied hebben plaats gevonden. Vooral de maatschappelijke bovenlaag profiteert van de internationalisering van de keuken. De Franse keuken raakt in de mode. De vele gangen en de uitzinnige versieringen bepalen het prestige van de gastheer.

Dit onderwerp kon rekenen op een flinke opkomst van leden en andere belangstellenden. Zo'n 70 mensen bezochten de lezing


Martin van der Weerden, voorzitter van LGOG Kring Parkstad, geeft met behulp van een power-point-presentatie uitleg over eten en eetgewoonten in de 19e eeuw

De gewone arbeider, onder andere in Limburg, is al blij als hij voldoende heeft. Plaatselijke producten, vaak uit eigen tuin, voeren de boventoon. Men krijgt geen eenduidig beeld van de voeding in de 19e eeuw: de verschillen per streek, per seizoen en per sociale groep waren groot. In de pauze had een team onder leiding van mevrouw Florrie diverse hapjes klaar om te genieten van een keuze uit “eigen en eigentijdse” producten.


De dis is rijkelijk gedekt met hapjes om te proeven


Loon naar werken voor het keukenpersoneel, onder leiding van Riet Florie


Er wordt stevig gediscussieerd


Niemand gaat met een lege maag naar huis


Ook de dames van de cluster cultuur van de gemeente Heerlen genieten

 

Excursie naar Soignies (Zinnik), 26 juni 2010

Onder voortreffelijke weersomstandigheden brachten we een bezoek aan Soignies (Zinnik). Hoofdoel was de Romaanse Kapittelkerk (Collégiale) Sint Vincent.

De Collégiale St.Vincent is dominant aanwezig in het stadje. Het is een van de oudste (10e eeuw) en fraaiste Romaanse kerken van België

Hier worden de relieken van Vincentius Maldelgarius, de stichter van de stad, bewaard. Vincentius ging in de 7e eeuw als Heer van Strépy door het leven. Hij moet grote indruk gemaakt hebben door zijn correcte levenswandel, dadendrang en vele weldaden. In 670 zou hij het klooster van Sunniacum gesticht hebben. Aan een eerste bloeiperiode werd wreed een einde gemaakt door de invallen van de Noormannen. Vanaf het midden van de 10e eeuw herstelde het klooster zich en rond het jaar 1000 werd begonnen met de bouw van wat nu een van de oudste en fraaiste Romaanse kerken van België is. Het koor en de dwarsbeuk dateren uit deze beginperiode. De westtoren (reeds Gotisch) is van omstreeks 1250.

Smal, eeuwenoud straatje met uizicht op de St.Vincent

Het schip bestaat uit drie geledingen. Opmerkelijk zijn de Romaanse tribunes van de zijbeuken, die enige gelijkenis met de kathedraal van Doornik vertonen. De kerk heeft een rijk versierd interieur met o.a. een rijk versierd Renaissance doksaal uit de eerste helft van de 17e eeuw, een Gotische graflegging “met een levendige uitdrukking van de figuren”, een 13e-eeuwse Madonna in gepolychromeerde zandsteen en de door de gebroeders Mulpas op Barokke wijze bewerkte koorbanken en lambriseringen. 
Tevens zagen we de statige patriciërshuizen en het Oude Kerkhof. Bijna 150 grafmonumenten uit de 14e tot en met de 19e eeuw zijn er te bewonderen. Sinds elders in de stad de nieuwe begraafplaats functioneert, heeft het Oude Kerkhof het karakter van een openluchtmuseum gekregen. De steenhouwers van weleer hebben al hun kunstzinnige vaardigheid uitgeleefd om tot dit resultaat te komen. Al wandelend tussen de graven waant men zich eeuwen terug. De trotse graven van ontelbare generaties vormen ook een aanleiding tot bespiegelingen op het vlak van de mentaliteitsgeschiedenis. Centraal op deze begraafplaats verheft zich een bijzondere kapel. Het oudste deel (Romaans) stamt uit de 12e eeuw; het er later aangebouwde deel (laat Gotisch) uit de 17e eeuw. 

Statig patriciërshuis uit de 17e eeuw

In de kapel op het Oude Kerkhof is vanaf omstreeks 1900 een museum gevestigd, een soort heemkundig rariteitenkabinet. Tal van lokale vondsten en producten zijn er te vinden o.a. Paleontologische mammoettanden, archeologische vondsten uit de Prehistorie en de Romeinse tijd, geweren uit de 17e, 18e en 19e eeuw, porselein en faience.

In Zinnik is geen ontsierende nieuwbouw te vinden


Aan de wandel langs de veemarkt in opbouw


Laat 19e-eeuws stationsgebouw aan de rand van het centrum

 

Lezing Het Valkenburgse Ridderschap door dr. Frans Gerards, 26 mei 2010

Tijdens de lezing ging Frans Gerards in op het ontstaan en wording van de Valkenburgse Ridderschap, de diverse edelen uit het Land van Valkenburg die lid waren van dit college, de toelatingscriteria en toelatingsprocedure en de vergadercultuur. In 1662 werd dit college opgesplitst in een Staats en Spaans deel. Daarmee veranderde ook de toelatingscriteria. In de loop van de 18de eeuw werd de Ridderschap wat het aantal leden betreft flink uitgedund. In 1794, met de komst van de Frans overheersers, was het definitief einde oefening.

Voorzitter Martin van der Weerden verwelkomt spreker dr. Frans Gerards

Gedurende het ancien régime bestond de provincie Limburg – niet te verwarren met de huidige provincie Limburg – namelijk uit vier aparte landjes: het hertogdom Limburg, het graafschap Valkenburg en de heerlijkheden ’s-Hertogenrade en Dalhem. Elk landje had een apart Statencollege, bestuurders en ambtenaren. Daarnaast was er ook nog een gezamenlijk Statencollege voor de gehele provincie, de zogenaamde Landdag. Het Valkenburgse Statencollege bestond uit twee leden, namelijk de Ridderschap en afgevaardigden van de vier hoofdschepenbanken. Deze twee leden hadden elk één stem in de vergadering.

Frans Gerards licht de grote invloed van de Valkenburgse Ridderschap tijdens het ancien régime toe

De lezing is geheel gewijd aan de Valkenburgse Ridderschap. Naar deze groepering is weinig onderzoek gedaan. Dit staat in schrille tegenstelling tot wat de laatste jaren over de ridderschappen in andere gewesten is gepubliceerd. Het gebrek aan belangstelling voor de Valkenburgse Ridderschap kan voor een deel worden verklaard uit het feit dat veel historische materiaal verloren is gegaan.

 

Excursie naar Gangelt en Heinsberg, 24 april 2010

In Gangelt ging de rondleiding door een stadje dat zijn middeleeuws karakter nog niet verloren heeft. Hierbij kwamen wij langs de stadsmuur met toegangspoorten, welke dateren rond 1450. Binnen Gangelt bevinden zich maar liefst 75 objecten welke onder monumentenzorg vallen. De rondleiding voerde langs de restanten van de veertiende-eeuwse burcht die eertijds in bezit was van de heren van Heinsberg. De toren van de burcht – ofwel Bergfried – is tegenwoordig in privé bezit en doet dienst als woonhuis. Tevens bezochten wij de Pfarrkirche Sankt Nikolaus, waarvan het schip en de toren uit de veertiende eeuw stammen. Het interieur van de kerk is neogotisch. Na de Bourgondische ontvangst in Erzählkaffee Münchhausen werden de 45 deelnmers door een enthousiast vertellende en uit de lokale literatuur citerende gids rondgeleid langs de schatten van Gangelt.


Verstilde, authentieke atmosfeer van eeuwen her in de Pfarkirche Sankt Nikolaus


Een deel van de oude stadsomwalling, inclusief stadspoort, is nog intact


In een mooie, parkachtige omgeving ligt deze gerestaureerde. alweer bewoonde, woontoren

 
Het moderne gemeentehuis

 
De ingang van de Sankt Nikolaus


De Sankt Nikolaus in volle gotische glorie

In Heinsberg stond op het programma een bezoek aan de Propsteikirche Sankt Gangolf (waar nog graven uit de merovingische tijd zijn aangetroffen). Deze kerk, die ook bekend staat onder de bijnaam Selfkant-Dom, is laatgotisch qua verschijning. Vermeldenswaard zijn o.a. de Romaanse crypte en het praalgraf van de heren van Heinsberg (begin vijftiende eeuw). Naastgelegen is de ruïne van de burcht, waar vroeger de heren van Heinsberg zetelden (die vanaf de elfde eeuw ook de scepter over de Heerlijkheid Valkenburg zwaaiden). De kunstmatige heuvels, waarop de Sankt Gangolf en de burcht zijn gesitueerd, vormen samen de grootste overgebleven motte van het Rijnland. In de omgeving van de kerkberg bevinden zich nog resten van de middeleeuwse vestingwerken (met een stadsmuur en twee verdedigingstorens). In de zestiende eeuw vonden hier grote uitbreidingswerken plaats, die onder anderen resulteerden in de aanleg van kazematten.

 


Excursie Verviers en het Land van Herve, 18 april 2009

Op zaterdag 18 april vertrok een bijna volle bus naar het land van onze zuiderburen. Gelukkig was de regen alleen op vrijdag gevallen en konden we droog met volle moed op pad gaan. Vert et vieux (groen en oud), zo luidt de wapenspreuk van de stad. Volgens de overlevering zou Verviers een verbastering zijn van deze waarderende woorden die een middeleeuwse bisschop ooit uitsprak over het bosrijke oord. Historici menen dat de naam stamt van Virovius of Viroviacus, bewoners van een Gallo-Romeinse nederzetting. Hoe dan ook, de vallei van de Vesder is al sinds de vroegste tijden bewoond. Aan het schone, zachte water van dit onaanzienlijke stroompje dankt de plaats de bloei van de wolnijverheid sinds de 17e eeuw. Deze tak van nijverheid maakte een explosieve groei door vanaf de introductie van de spinmachine in 1797, de eerste op het Europese vasteland. Na het midden van de twintigste eeuw werd de stad getroffen door de concurrentie van de lagelonenlanden. De meeste textielfabrieken zijn intussen gesloten. Tegenwoordig is de stad ietwat vervallen, maar sfeervol en nog steeds groen.


Bij de arbeiderswoningen

Na een kop koffie met veel vlaai ( zij bleven maar stukken aanslepen!) gingen we onder deskundige leiding op pad. Verviers is een stad met hoogteverschillen en dat hebben we geweten.Maar wat er geboden werd, maakte het klimmen en dalen de moeite meer dan waard. Sporen van het rijke verleden zijn – zeker in het centrum – nog zichtbaar: fabrieken voor de wolfabricage, maar ook de huizen van de eigenaren, die van het hogere kader van de fabriek en die van het gewone werkvolk, dat toch geacht werd al het werk te verrichten.


Een aandachtig gehoor in de Franciscanenkerk te Verviers

Maar bovenal is de Vesder zichtbaar, de rivier waaraan Verviers zijn bloei te danken heeft. Immers geen wolfabricage zonder water en ook op de dag van vandaag speelt water een belangrijke rol in de stad, omdat het de Waalse hoofdstad van het water is. Hier is alles geconcentreerd wat in het politiek leven van Wallonië met water te maken heeft. 

Het grafmonument van Mathieu Brosky

Na de middagpauze vertrokken – nu begeleid door een zacht regentje – voor een tocht door het Land van Herve, waar we een bijzondere ontmoeting hadden op het kerkhof van Soiron. Daar ligt nl. een pastoor begraven die in 1799 in Heerlen geboren is, Mathieu Antoine Brosky. Natuurlijk hebben we zijn grafmonument, aan de buitenzijde van het koor van de kerk, bezocht en de groeten uit zijn vaderstad overgebracht.

 A la memoire du révérend Mathieu Antoine Brosky
né a Heerlen en 1799, prêtre en 1824, vicaire à Verviers depuis l'an1825 jusqu' en 1837, curé de Soiron pendant 7 ans
...] est decédé plein de mérites
....] des sentiments très édifiants
le 16 février 1844.
..] amis qui ont érigé ce monument en témoignage de leurs profondsregrets et de leur sincère attachement.
R.I.P.

Na nog geproefd te hebben van kaas, stroop en cider van Herve in het oude station van Herve, waar nu de Espace des Saveurs (Ruimte van de lekkere Smaken) gevestigd is, vertrokken we naar Heerlen, waar we keurig op tijd arriveerden, vol verwachting waar de volgende excursie ons heen zou brengen en wat ons daar te wachten zou staan.

 

Excursie naar België, 17 november 2008

Op 25 oktober vertrokken we richting België, nu eens niet ver maar dicht bij huis. De abdij van Godsdal (beter bekend onder de Franse naam L’Abbaye du Val-Dieu) bij Aubel was ons reisdoel. Dat de keuze van de excursiecommissie in de smaak gevallen was, bleek uit de aanmelding: 50 mensen hadden zich opgegeven en de bus was dan ook tot de laatste plaats bezet. Helaas was één persoon niet tijdig aanwezig maar ons beleid is al jaren dat we een vijf minuten wachten en dan onherroepelijk vertrekken. Zo ook nu: dus met 50 aanmeldingen en 49 personen (de chauffeur niet meegerekend) vetrokken we naar Aubel. De weersvoorspellingen waren beter dan de realiteit maar we hebben het de hele dag droog gehouden en dat is ook de moeite waard.
Uiteraard werden we ontvangen met koffie en een Belgisch stuk vlaai, zoals Martin ons dat toegezegd had. In onze naïviteit dachten we nog dat hij zich vergist had en een stuk Belgische vlaai bedoelde, maar nee: het was inderdaad een Belgisch stuk, fors van afmeting en goed voorzien van fruit. Grote potten koffie werden op de tafels neergezet en ook dat hebben we wel eens anders (zuuniger, zal ik maar zeggen) meegemaakt.
Maar goed, het gaat op zo'n dag niet om het eten en het drinken maar om mooie zaken te zien en daar een goede uitleg bij te krijgen. In beide plaatsen was die uitleg goed verzorgd. Nederlandstalige gidsen stonden tot onze beschikking. In Aubel moesten we die delen met een groep uit Antwerpen, waardoor er ongeveer 100 personen achter de gids aanliepen, maar zijn stemgeluid was dusdanig dat iedereen - met wat moeite misschien – alles heeft kunnen volgen.
Natuurlijk werd het winkeltje bij de abdij druk bezocht en de Val Dieu-kaasjes werden grif gekocht maar gelukkig niet in de bus genuttigd. Niet iedereen is gelukkig met de stevige geur van deze kaas.
Ik denk dat iedereen zeer tevreden in Heerlen is aangekomen en dat we ook in 2009 weer veel moois van de excursiecommissie mogen verwachten. De plannen die ontvouwd werde, klonken in ieder geval veelbelovend.

Jo Jamar, voorzitter

 L’Abbaye du Val-Dieu (Aubel)

De abdij van Onze Lieve Vrouw van Val-Dieu (Godsdal) werd in 1216 opgericht. De Cisterciënser monniken hadden de gewoonte zich op onherbergzame oorden te vestigen. Teruggetrokken van de wereld, meestal in een dal, konden zij zich toeleggen op hun enige middel van bestaan, het bewerken van de grond. Ze volgden daarin het voorbeeld van de Heilige Robert van Molesme, die op deze wijze terug wilde naar het oorspronkelijke ideaal van de Heilige Benedictus. Vanuit de vallei van de Berwinne vormden de monniken geleidelijk het centrum van het karakteristieke “Land van Herve”. Bedoeld als bakermat voor spirituele en intellectuele ontwikkeling werd de abdij tevens een economisch centrum van regionale betekenis. Menig conflict liet in de loop der eeuwen zijn sporen na: feodale ruzies, godsdienstoorlogen, opvolgingsoorlogen en de Franse Revolutie. Tot vier maal toe werd het complex gedeeltelijk vernield of beschadigd door brand. Desondanks is de homogene uitstraling van deze architecturale parel behouden gebleven. De Maaslandse Renaissance, waarin enkele Romaanse en gotische elementen verweven zijn, is duidelijk herkenbaar. De abdij wordt tegenwoordig beheerd door een lekengemeenschap die de Cisterciënser traditie probeert voort te zetten. Val-Dieu is ook bekend vanwege zijn kaas en abdijbier.

Limbourg
Over de aard van Limburg zijn talloze beschouwingen gepubliceerd. Wat bindt Limburgers? Hoe natuurlijk zijn de grenzen van onze provincie? Is bij de Vrede van Münster en de daaropvolgende vredesverdragen uit de 17e en 18e eeuw gescheiden wat bij elkaar hoort?
Het begon ooit in de diepe Middeleeuwen met de stichting van een vesting door de hertogen van Limburg boven op een heuvel, hoog boven de vallei van de Vesdre. Het oude woord “Limburg” betekent eigenlijk “burcht op een rots boven het water”. In de 12e en 13e eeuw verschansten de hertogen van Limburg zich hier tegen hun rivalen, de machtigere heren van Brabant, Luik en Luxemburg. Ongeschonden is Limbourg er niet vanaf gekomen. L’eglise St. George is meermalen verwoest en gerestaureerd. De burcht van de hertogen van Limburg is in 1675 door de troepen van Lodewijk XIV opgeblazen. Een kasteeltje in neorenaissancestijl is ervoor in de plaats gekomen.
In Limbourg is veel behouden gebleven en de sfeer is niet van deze tijd. Het scheve, langwerpige stadsplein is met losse straatkeien belegd en sfeervol door oude linden omzoomd. Aan weerszijden van het plein staan statige huizen uit de 17e en 18e eeuw. De gotische St. George heeft een toren uit 1301 en een diepe crypte die vroeger via een ondergrondse gang verbonden was met de burcht. Het interieur van de kerk is verwaarloosd, maar bevat niettemin fraaie stukken zoals een stenen tabernakel uit 1520, 16e-eeuwse doopvonten, 17e-eeuwse schilderijen en een rijkversierde houten kansel uit 1777. Een deel van de middeleeuwse stadsomwalling is behouden gebleven. Van hieruit heeft u een weids uitzicht over het Vesdredal.

 

Excursie naar Kasteel De Haar en Culemborg, 8 juli 2008

Op 16 juni ging de kring Parkstad naar Haarzuilens en Culemborg voor een bezoek aan kasteel De Haar en de stad Culemborg. Aanleiding voor het bezoek aan kasteel De Haar was uiteraard het Cuypers-jaar, dat weliswaar achter ons ligt maar kasteel De Haar blijft altijd de moeite waard.
Het reisdoel lag wel verder verwijderd van Parkstad dan we gewend zijn, vandaar dat excursiecommissie en bestuur daar indringend met elkaar over gesproken hebben. Maar juist gelet op de moeilijke bereikbaarheid van het kasteel voor reizigers met het openbaar vervoer, tevens gelet op de inbreng van een grote Limburger, Pierre Cuypers, bij dit kasteel en de mogelijkheid om een eigen rondleiding te krijgen, hebben ons doen besluiten de lange tocht voor lief te nemen. Bijna vijftig mensen hadden ingetekend en daarmee aangegeven dat het een juist besluit geweest was. Aangezien koffie en koek in de bus geserveerd werden, was de reistijd relatief kort en arriveerden we ruimschoots op tijd bij kasteel De Haar.
Het blijft een fascinerend gezicht dit grote kasteel daar midden in het landschap te zien oprijzen. Ook al stond een gedeelte van het kasteel in de steigers en waren niet alle tuinen te bezichtigen omdat ze gerenoveerd werden. Jammer dat het kerkje niet te bezichtigen maar uitgerekend die dag (en het tijdstip waarop wij daar waren) was door twee mensen uitgezocht om daar te trouwen. Een romantischer omgeving is bijna niet denkbaar.
Wij werden in twee groepen verdeeld zodat de gidsen alle aandacht aan ons konden geven die wij verdienden en wij de gelegenheid kregen alles goed in ons op te nemen. De eerste indruk – de grote hall – is meteen verpletterend. Zijn we in een gotische kerk beland? Je zou haast denken van wel. Cuypers heeft zich hier – maar niet alleen hier – kunnen uitleven. Overal zijn herinneringen aan de familiegeschiedenis van de Van Zuylens van Nijvelt te vinden. In iets mindere mate herinneringen aan de De Rotschilds, hoewel toch het kapitaal van de laatste de restauratie van het kasteel mogelijk gemaakt hebben. Bijna 20 jaar (van 1892 tot 1912) zou die restauratie duren, waarbij kosten nog moeite gespaard zijn. Een compleet dorp (Haarzuilens) moest verdwijnen om elders (op kosten van de baron) opnieuw opgebouwd te worden. Ongeveer 7000 volwassen bomen werden uit de provincie Utrecht overgebracht naar de omgeving van het kasteel omdat de eigenaar geen jaren wilde wachten totdat jonge aanplant tot wasdom gekomen zou zijn. Andere tijden, andere zeden maar zeker ook andere verhoudingen! 
Tegen 13.00 uur vertrokken we via een ietwat avontuurlijke tocht naar Culemborg. Nadat we daar – op eigen gelegenheid – geluncht hadden , werden we ook daar in twee groepen verdeeld om onder begeleiding het centrum van de stad te bezoeken. Steeds weer opnieuw is het een openbaring om onder begeleiding van deskundigen een object (of stad) te bezoeken. Details waar iedere bezoeker langs loopt zonder ze op te merken, krijgen ineens de aandacht en vertellen hun eigen verhaal.
Precies op het afgesproken tijdstip waren we om 20.00 uur terug in Heerlen. Wij hadden een dagtocht van 12 uur er op zitten. Maar het was de moeite waard.

  
Kringnieuws van 21 mei 2008

Interview Mgr. dr. J.M. Gijsen Hier te lezen (met dank aan LGOG Kring De Westelijke Mijnstreek).