Social media

Sinds kort is het LGOG ook te vinden op social media! Klik hier voor uitleg. 

Provincie Limburg

Wandeling door Griendtsveen in het kader van 150 jaar LGOG

25 mei 2013

Terwijl in grote delen van Limburg de wolken vochten met de zon, scheen in Griendtsveen op zaterdagmiddag 25 mei het zonnetje volop. In het kader van het jubileumjaar van het LGOG organiseerde de kring Ter Horst een wandeling door Griendtsveen. De heer Wien van Mullekom (Gebbel) was door het bestuur van de kring bereid gevonden om de groep te begeleiden. Met een dertigtal belangstellenden gingen we in de middaguren op pad.

De geschiedenis van Griendtsveen, in het westelijke deel van de huidige gemeente Horst aan de Maas (en daarmee ook het westelijke deel van de kring Ter Horst), is nauw verweven met de ontginning van de Peel. De spoorlijn van Eindhoven naar Venlo, aangelegd in 1866, was van groot belang bij de ontginning van het veengebied. Aannemer van deze spoorlijn was Jan van de Griendt (1804-1882), een koopman uit Den Bosch. Hij was in 1853 een van de oprichters van de "Maatschappij tot ontginning en vervening van de Peel", later omgedoopt in "Maatschappij Helenaveen". Van de Griendt stichtte het dorp Helenaveen; zijn zoons Jozef en Eduard zetten zijn werk voort en stichtten rond 1885 het dorp Griendtsveen. Het dorpje heeft een zeer schilderachtige ligging en een beschermd dorpsgezicht.

Villa Sphagnum

De schrijver Toon Kortooms ligt in Griendtsveen begraven op het kerkhofje achter de kerk. Zijn vader was directeur van het Deurnese gemeentelijke veenbedrijf. Dat bedrijf en zijn ouderlijk huis stonden "nog net" in de gemeente Deurne, maar vlakbij Griendtsveen. Zijn sociale leven speelde zich dus af in het dorp Griendtsveen.

De tocht begon met een bezoek aan het graf van de schrijver; hierna werd de kerk van de H. Barbara nog bezocht en vervolgens gingen we op pad met Gebbel. De wandeling voerde langs de villa's van de familie Van de Griendt, de arbeidershuisjes en de zogenoemde "twaalf apostelen" (oorspronkelijk twaalf huisjes voor het kader van de fabriek). Tijdens de wandeling lardeerde Gebbel het verhaal met talrijke anekdotes en wetenswaardigheden.
Verschillende kanalen stromen door en langs het dorp. Een blik werd nog geworpen op de plaats waar het haventje was, de turfstrooiselfabrieken en de verschillende uitspanningen, schaftketen en dergelijke.

Bij het beeld van Eduard van de Griendt eindigde na bijna twee uur de tocht. In Herberg De Morgenstond werd tenslotte nog nagepraat onder het genot van een kopje koffie met Limburgse vlaai.

 
Excursie naar Aarschot

9 april 2011

In alle vroegte, om half acht, vertrok een gezelschap van 43 personen op weg naar de Belgische stad Aarschot. Langzaam kwam de zon tevoorschijn achter de wolken. De tocht ging voorspoedig: rond tien over negen waren we al in het stadje in het Hageland. Helaas waren er echter zoveel omleidingen – de Grote Markt van de stad wordt verbouwd en tegelijkertijd worden nog andere bouwwerkzaamheden meegenomen – dat het vinden van de gids op de afgesproken plaats moeilijk was. Uiteindelijk, na verschillende omwegen en over steile hellingen en door smalle straatjes, kwamen we precies om half tien uit bij onze gids, Marc Dillen.
We gingen met de gids eerst een korte tocht door het Hageland maken. We wilden immers het kasteel van Horst zien. De oudste bekende heren van Horst zijn Jan van Horst en zijn zoon Arnold (13e eeuw). Jan van Horst behoort samen met zijn zonen Arnold en Adam van Landwijk tot de familie Van Thunen. Later, toen ze zich definitief in Horst vestigden, ging de familie zich "van Horst" noemen.
Aan het eind van de 15e eeuw werden ook de vierkante donjon, de aula en de camera gebouwd, die nu nog altijd bestaan. In de 17e eeuw werden de twee westelijke vleugels met dienstvertrekken beneden en pronkzalen boven bijgebouwd door Olivier van Schoonhoven. In die tijd werd ook de kapel toegevoegd. Maria-Anne van den Tympel, de laatste kasteelvrouwe, liet in 1655 de stucplafonds in de grote zalen van de westelijke vleugel aanbrengen.
Het kasteel van Horst is goed bewaard en is gelegen aan een prachtige vijver. Helaas was de binnenkant van het kasteel niet te bezoeken vanwege verhuring aan derden. Het kasteel van Horst is de thuishaven van de stripfiguur De Rode Ridder van Willy Vandersteen.
Via andere plaatsen reden we uiteindelijk terug naar Aarschot. Tijd voor koffie met een royale punt gebak. Dat werd genoten in de uitspanning De Zwaan. Vervolgens een wandeling onder een inmiddels stralende zon naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Dit imposante gotische gebouw werd opgetrokken tussen 1337 en 1450. De toren is 85 meter hoog en bestaat net zoals de rest van de kerk uit drie steensoorten: ijzerzandsteen uit de plaatselijke steengroeven, witte kalksteen van Gobertingen en baksteen. De afwisselende ijzerzandsteen en witte kalksteen worden speklagen genoemd.
In 1462 stichtte Antoon van Croy een kapittel (college) van dertien kanunniken. Niet veel later veroverde Albrecht van Saksen het opstandige Aarschot en brandde het plat. Het volledig kerkinterieur ging in vlammen op. De herinrichting van het interieur met prachtige laatgotische kunstwerken was het werk van rijke kanunniken, welvarende burgers en leden van het huis van Croy. Vooral Willem van Croy, heer van Chièvres en leermeester van de jonge Karel V, zorgde voor de nodige luister. Na zijn plotse en verdachte overlijden werd deze Willem van Croy tijdelijk op het koor begraven. Keizer Karel V was op de plechtige uitvaartdienst aanwezig.
De beruchte beeldenstorm van 1566 had Aarschot onberoerd gelaten, maar 1578 werd het grote rampjaar met herhaaldelijke plunderingen door Spaanse en opstandige huurlegers. Vooral in de kerk gingen de protestantse huurlingen als wilden te keer: kunstvoorwerpen werden geroofd, altaren vernield, beelden verbrand en al de klokken van de beiaard uit de toren geworpen. Zelfs het miraculeuze Mariabeeld was vernield. De bedevaarders die vroeger in dichte drommen met rijke offergaven het Aarschotse genadebeeld van Maria kwamen aanroepen, trokken naar het nieuwe bedevaartsoord Scherpenheuvel. Midden 17de eeuw was er weer geld om het interieur van de kerk met nieuwe altaren en meubilair in te kleden. De uitbundige barak maakte zich triomfantelijk meester van het interieur. In de loop van de volgende eeuwen werd een deel van het meubilair vernieuwd. Tijdens de twee grote oorlogen kreeg de kerk het zwaar te verduren. Ze onderging een laatste grote renovatie van 1970 tot 1987.

De tocht werd vervolgd naar het begijnhof. Al vanaf midden 13de eeuw was er sprake van een groep vrome vrouwen, begijnen, in Aarschot. Ze woonden in de schaduw van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. In de 15de en 16de eeuw had het begijnhof heel wat te lijden onder de militaire bezettingen en oorlogen. Het werd geplunderd en in brand gestoken. De eerste begijntjes keerden in 1609 vanuit Leuven terug. De gebouwen werden toen in verschillende fasen weer opgebouwd en in 1763 voltooid. Uit die tijd werd slechts één vleugel bewaard. Deze werd geklasseerd en volledig gerestaureerd. Al de andere gebouwen zijn verdwenen of vernieuwd. Het heropgebouwde begijnhof maakt nu deel uit van het woonzorgcentrum St. Rochus.

Vlakbij lag 's Hertogenmolens. Vroeger stonden er verscheidene molens aan de voormalige Waterpoort in de Lei, waar de Demer Aarschot binnen vloeide. Bij het begin van de 16de eeuw liet Willem de Croy de molens verplaatsen en tot een geheel samenvoegen achter het begijnhof aan het uiteinde van de stadswallen. Op deze plaats kregen de nieuwe ’s Hertogenmolens of Grote Molens een economische, hydrografische en militaire functie. Het malen van graan en het heffen van tol waren belangrijke bronnen van inkomsten. Door de ligging van de molens, dwars over de Demer, konden ze bovendien ingeschakeld worden bij de verdediging van de stad. Het was voldoende de sluis volledig te sluiten om de stad stroomopwaarts onder water te laten lopen. De site van ‘s Hertogenmolens is een stoer getuigenis van het sociale, economische, militaire en bouwkundige verleden van de stad Aarschot. Maar ze vertelt ook het verhaal van de handelsgemeenschap die aan de Demer tot ontwikkeling en bloei kwam. Bovendien is deze site uniek door haar volledige overbouwing van de kunstmatige Demerarm met bijhorende sluisconstructie. Na acht jaar intensieve voorbereiding is de stad Aarschot in samenwerking met private partners erin geslaagd om het belangrijkste industrieel monument van Vlaanderen weer te laten stralen in al zijn glorie.

Na een lunch die door iedereen op eigen gelegenheid gebruikte, ging de tocht verder onder leiding van onze gids naar "Het Gasthuis". Tijdens de 12de en 13de eeuw kende Aarschot een onrustige tijd. De stad werd zwaar op de proef gesteld door allerlei besmettelijke ziektes en rampen als hongersnood, overstromingen en brand. Tijdens deze periode werd het Aarschotse gasthuis opgericht. De verzorging in het hospitaal werd door de Zwartzusters uitgevoerd. In de 15de en 16de eeuw had het gasthuis, net al heel Aarschot, te lijden onder militaire bezettingen en oorlogen. Aarschot werd een grote puinhoop. Het gasthuis werd opnieuw opgestart midden 17de eeuw onder leiding van de grauwzusters. In 1840 werd het burgerlijke gasthuis gebouwd, de oude kapel uit 1706 werd vervangen door een neogotische kapel. Na de restauratie- en moderniseringswerken (1965) werd er een moederhuis en een dienst voor langdurig zieken gebouwd. Het voormalige gasthuis werd omgevormd tot het Cultureel Centrum Het Gasthuis. Het moederhuis huisvest nu een prachtig museum en de dienst voor toerisme. De bibliotheek kreeg een plaats in het gebouw voor langdurig zieken. Het Stedelijk museum werd eerst bezocht. Dit is geen museum met enkel vitrines. De voorwerpen komen tot leven, ze zijn echt “in scène gezet”. Met beeld en geluid. Je stapt in een tafereel uit de eerste wereldoorlog, je hoort marktzanger Rik Viool aan het woord.

Aarschot is herhaaldelijk getroffen door oorlogsgeweld. Vooral de pijnlijke herinneringen aan de Eerste en de Tweede Wereldoorlog blijven leven in vele Aarschotse families. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog werden ongeveer 171 Aarschottenaren gefusilleerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg de stad zwaar te lijden onder de Duitse en geallieerde bombardementen. Enkele historische gebouwen verdwenen voor altijd uit het stadsbeeld.

Tenslotte werd nog een bezoek gebracht aan de voormalige kapel van het Gasthuis. De neogotische kapel werd er bewonderd. Hierna werd afscheid genomen van de gids en had ieder nog de gelegenheid om in het heerlijke zonnetje een glaasje te drinken, ten afscheid van een fraaie dag, vol met kleine historische hoogtepunten. Een geweldige gids die ons uitgebreid en boeiend vertelde over de geschiedenis en de kunst van zijn Aarschot.

De terugtocht verliep ook uitstekend. Na een dankwoord door de voorzitter aan de chauffeur, Roland van Helden die ons over soms erg smalle wegen toch steeds veilig overal heeft gebracht, werd rond twintig over zeven afscheid genomen bij het vertrekpunt, waar we twaalf uur eerder dus de reis aanvaard hadden.

 

Lezing Via Belgica en Via Mosae

6 april 2011

Deze avond worden twee lezingen verzorgd namens de besturen van het LGOG Kring Ter Horst. Inleiders zijn mevr. Lic. M. Janssens en de heer drs. M. Dolmans.

Mevr. Janssens is namens RAAP Archeologisch Adviesbureau bezig met onderzoek naar twee belangrijke Romeinse wegen in Limburg: de Via Belgica en de Via Mosa. Het onderzoek is geïnitieerd door de Provincie Limburg, die beide wegen wil betrekken in toerisme en recreatie. Op basis van antieke verslagen en archeologisch onderzoek probeert mevr. Janssens een belangrijke weg in Limburg op de westoever van de Maas, de Via Mosa, op te sporen en het verloop te bepalen. Een eerdere studie naar een andere belangrijke Romeinse weg door Limburg, de Via Belgica, is enkele jaren geleden reeds verricht.

De oudst bekende wegen in Limburg dateren uit de Prehistorie en zijn niet daadwerkelijk aangelegd, maar eerder historisch gegroeid. Na de inlijving van het gebied in het Romeinse Rijk maakte het deel uit van de Romeinse provincie Germania Inferior. In dat kader kwam de uitbreiding en aanleg van nieuwe infrastructuur goed op gang onder keizer Claudius (ca. 40-50 na Chr.). De Via Belgica is een belangrijke weg in het Romeinse Rijk die de thuishaven van de Romeinse vloot aan de Atlantische Zee verbond –via de steden Tongeren en Heerlen- met de hoofdstad van de provincie waar Zuid-Nederland toe behoorde: Keulen. De weg diende vooral voor snel en efficiënt troepentransport in deze woelige periode van het Romeinse Rijk, waarin militaire expeditie naar het vrije (lees: opstandige) Germanië werden uitgevoerd. Ook werd de weg als postbaan gebruikt. Enkele belangrijke kenmerken van deze weg zijn haar rechte karakter, bolle grindlichaam van 5-10 m breed en ontwateringsgreppels aan beide zijden. Een belangrijke bron bij onderzoek naar Romeinse weg is de Tabula Peuteringiana: een kaart uit de 12e of 13e eeuw, die een kopie is van een Romeinse wegenkaart uit de Laat Romeinse tijd (4e eeuw). Daarop staan schematisch plaatsnamen, wachttorens, steden, volksstammen en andere belangrijke zaken aangegeven. Probleem is dat de kaart een sterk vertekend beeld geeft van de dan bekende wereld en er door het kopiëren fouten in zijn geslopen, waardoor volop discussie ontstaat.

De Via Belgica is onlangs door mevr. Janssens onderzocht in Voerendaal en Heerlen. In Heerlen kon de weg samen met een stadse woning worden opgetekend. De Romeinse woning is sterk aangetast door latere bewoning, maar de kelder was goed bewaard. Deze was van natuursteen gemetseld, had een gat in één van de muren voor een houten trap en een luchtgat/venster, wat voor ventilatie zorgde. Ook was er een stookruimte met hypocaustsysteem, waarmee de woning middels een soort CV-verwarming met verhitte lucht in de spouwmuren en vloeren kon worden verwarmd.

De Via Mosa is een aftakking van de Via Belgica. Die leidde van Tongeren via Maastricht op de westoever van de Maas naar Cuijck, waar met een brug de Maas over kon worden gestoken. Van daaruit ging de weg verder naar het legerkamp in Nijmegen. Het onderzoek van mevr. Janssens beperkt zich tot het Limburgse gebied. Het was de opzet om de weg in kaart te brengen middels een inventarisatie van bekend e archeologische meldingen en historisch bekende waarnemingen. Dit viel echter aardig tegen, met name in Noord-Limburg. Uiteindelijk bleken in heel Limburg slechts 7 waarnemingen van de weg bruikbaar, op een lengte van 85 km. Bovendien is er een groot, leeg gebied tussen Blerick en Sambeek met waarnemingen van de weg. Grote vraag is waardoor dit komt: Is de weg afgegraven voor grindwinning in het verleden? Was de weg überhaupt wel verhard met een grinddek? Was de Maas als rivier niet een veel belangrijkere route dan de naastgelegen (veld-) weg?

Een historische melding rept over het verloop van de Via Mosa dwars door Blerick en via Raaieind naar het Reuveld (Grubbenvorst) en van daaruit verder naar het noorden. Echter, de 19e eeuwse onderzoeker ritmeester Ort uit al zijn twijfels over deze route en oppert dat er misschien een alternatieve Romeinse route is die de Meerlose Baan volgt. Uit een recente waarneming in Raaieind bleek dat de Romeinse weg die hier is ontdekt, niet uit een grindpakket bestond en eveneens de anders zo typerende bermgreppels ontbraken hier. Conclusie van het onderzoek is dat de Via Mosa zich moeilijk laat pakken en dat nader onderzoek naar de weg noodzakelijk is als men daarin wil slagen. Daarbij is een inkadering in het Romeinse cultuurlandschap noodzakelijk, zodat een aantal routes van de weg nader kan worden bepaald en de veldwerkstrategie snel en efficiënt kan worden uitgevoerd en -hopelijk- resultaat oplevert.

Na de pauze het woord aan dhr. Dolmans, die het publiek verwelkomt met een versnapering van noten in XX saus volgens Romeins recept. De heer Dolmans begint zijn lezing nogal bruut: toen Caesar voor het eerst voet zette in onze streken woonden er vermoedelijk 3 miljoen mensen. Hij richtte een ware genocide aan, want 8 jaar later waren er door zijn toedoen nog 1 miljoen over. Een derde was vermoord en het andere derde deel was als slaaf weggevoerd. Na enige jaren van “leegte” trokken Germaanse stammen oostelijk van de Rijn het gebied binnen. De heer Dolmans betoogt verder dat er zowel oostelijk als westelijk van de Maas wegen bekend zijn. Naast de eerder beschreven weg was er een heerbaan die de belangrijkste bestuurscentra in Germania Inferior met elkaar verbond; deze weg leidde vanuit Aken via Heerlen naar Xanten. Volgens dhr. Dolmans was er niet één weg langs de Maas, maar waren het er twee, waardoor deze route niet de Via Mosa maar de Viae Mosa zou moeten heten (copyright. M. Dolmans). De weg op de westoever van de Maas was minstens tot in de 4e eeuw in gebruik en is ook vernieuwd in deze periode.

Grote vraag voor de stad Venlo is niet of, maar wat voor soort Maasovergang er in de Romeinse tijd tussen Blerick en Venlo was. Er is in de zomer van 2009 namelijk een klassieke Romeinse heerbaan in Raaiweide, tussen de voormalige kazerne en de Maas in, aangetroffen. Die weg was ongeveer 6 m breed en bestond uit een ca. 40 cm dik grindpakket en had aan beide zijden een bermgreppel. De weg liep echter niet parallel aan, maar haaks op de Maas. In het Romeinse wegdorp Venlo was, juist in het verlengde van de weg, een archeologisch lege baan van eveneens ca. 6 m breed aangetroffen, waarvan men mag veronderstellen dat dit ook een weg betreft. In de Maas is lange tijd een doorwaadbare plaats geweest en onlangs uitgevoerd radaronderzoek in de Maas leverde enkele plekken op die als brugpeilers in aanmerking komen. Eén van die plekken bleek echter een auto te zijn. Een spoor van de bende van Venlo? In elk geval was het type auto niet te bepalen. Naast deze anomalie was er echter ook een punt –eveneens in de lijn met de weg- dat mogelijk een concentratie van grote natuurstenen (50x50x50 cm, mogelijk van basalt) die met loden krammen waren vastgezet. Dit is erg hoopgevend, want de peilers van de Romeinse brug blijken na duikonderzoek uit vrijwel dezelfde stenen te zijn gemaakt. Op de opvallende plekken wordt in april nader duikonderzoek verricht, waarmee archeologen vurig hopen een Romeinse brug in Venlo aan te tonen. Ook toekomstig onderzoek op het kazerneterrein is hooggespannen: hier ligt in elk geval een fort uit de Spaanse tijd (1642) en mogelijk is dit de plek van het eveneens schier ongrijpbare Blariacum: de Romeinse voorganger van Blerick, dat op de Tabula Peuteringiana is afgebeeld. Het kan echter niet worden uitgesloten dat Blariacum niet meer was dan een wachtpost, vergelijkbaar met een huidige marechausseepost. Hier stond een wachttoren, mogelijk een herberg en ene plek waar men paarden kon wisselen. Na deze analyse durft dhr. Dolmans de stelling aan dat in Roermond hoogstwaarschijnlijk (ook) een Romeinse brug heeft gelegen. Hij leidt dat af aan een unieke vondst die hier is gedaan: een koperen houder van een vaandel van het Romeinse leger, waarvan er slechts enkele in de hele wereld van bekend zijn. Blijkbaar hechtte de Romeinen aan Roermond militair belang.

Hoewel er twee wegen langs de Maas waren, zal de bulk van het transport over het water hebben plaatsgevonden via platbodems die tot 10 ton (!) konden vervoeren. Typisch voor Zuid-Limburg, en in mindere mate voor het Maasdal, is het voorkomen van villae. Dit zijn geen bestuurscentra, maar grote herenboerderijen waar de rijke landeigenaren vaak in een hoofdgebouw van steen wonen, naast de diverse opslagschuren, barakken voor slaven of seizoensarbeiders, etc. Vooral met de oogsten van de vruchtbare lössbodems werden de graanschuren van het Romeinse Rijk gevuld en kon men het volk gerust houden (‘brood en spelen’ luidt de Romeinse uitdrukking). Naast de productie van graan werd er ook (geiten) kaas geproduceerd en was er een duidelijke toename en uitbreiding van de veestapel. Vaak waren ex-militairen de heren van een villa; de weinige boeren waren vrij eenvoudige, kleinschalige keuterboertjes. Dit blijkt uit opgravingen van villae, waar men resten van muurschilderingen en fresco’s heeft gevonden. Ook de bekende askist van Simpelveld geeft een beeld van hoe de inheems elite zich graag zag: volledig geromaniseerd, opgenomen in het Romeinse Rijk en zoveel mogelijk levend volgens de elite in Rome. Daarbij hoorde een luxueuze levensstijl met rijke kleding, fraai meubilair, metalen kruiken, vazen, olielampjesamforen, etc. In dit kader is een opvallende Romeinse vondst in het gebied van de Hoogwatergeul bij Lomm gedaan: een pootje van en Romeins klapmes, dat dezelfde versiering (een gestileerde leeuwenkop) heeft als een houten tafeltje uit militaire context uit XX. Het blijft echter onzeker hoe de Romeinen, rijk of arm, vanuit Venlo en Blerick naar Cuyck zijn gegaan: via de Via Mosa(e) of dat zij die andere weg hebben genomen, waarvan al meer dan 100 jaar wordt beweerd dat die van oorsprong Romeins is, de Meerlose Baan…

 

Cursus genealogie voor beginners

2 en 9 februari en 2 en 16 maart 2011

Op vier avonden namen 22 belangstellenden deel aan de cursus “Genealogie voor beginners” gegeven door de heer Jan Hanssen uit Baarlo. De cursus werd gegeven in het instructielokaal van museum “De Kantfabriek”.

De eerste avond was gevuld met kennismaking, screening van een ieders naam en algemene informatie. Daarna begon de heer Hanssen met een uitleg over de belangrijkste bronnen die een genealoog aan kan boren. Dat zijn de Doop-, Trouw- en Overlijdensregisters. Uitgebreid gaat hij in op het ontstaan, in de Franse Tijd, van deze registers. Alle voor- en nadelen worden belicht. Bijvoorbeeld ook het misbruik ervan in de Tweede Wereldoorlog. Ook zijn de persoonskaarten, op te vragen bij het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag, van iedereen van belang. Deze bevatten vaak meer informatie dan de registers. Verder werd bekeken in welke archieven men kan gaan zoeken. Dat alles geïllustreerd met vele voorbeelden.

De tweede avond werden de overige bronnen nader belicht, met name voor het onderzoek vóór 1800, zoals daar zijn de kerkregisters, de verslagen van de schepenbanken, belastinglijsten etc. Het grote probleem bij deze lijsten was de schrijfwijze van veel namen. Als illustratie liet de heer Hanssen iedereen 20 namen opschrijven op de manier zoals dat vroeger ging. Daarna kwamen de lijsten die te vinden zijn op “Genlias” en “Familysearch” aan de beurt. Gewezen werd op de vele fouten die men op internet aantreft. Men mag alleen maar aannemen dat iets waar is als er een juiste bronvermelding bijstaat. Gewezen werd ook nog op het feit dat iemands naam alleen maar juist is zoals die op de geboorteakte is vermeld. Een ander nadeel van veel aktes is dat deze, zeker als ze afkomstig zijn uit de periode rond 1800, deze in het Frans zijn opgesteld. Tenslotte werden nog de manieren van opzet uitgelegd. De stamreeks, stamboom en kwartierstaat kwamen aan de orde.

Veel gebruikte programma’s voor genealogen zijn: Progen, Aldfaer, Hazadata en Genlias. Amerikaanse programma’s worden vanwege onbetrouwbaarheid niet aanbevolen. Hetzelfde geldt voor gegevens op internet waar geen bronvermelding bij staat. De heer Hanssen adviseert iedereen die serieus aan de slag wil met onderzoek lid te worden van een genealogische vereniging, bijvoorbeeld de sectie Genealogie van het LGOG. Het voordeel van zo’n vereniging is dat er een maandblad bij hoort en dat er steeds veel richtlijnen, aanwijzingen en contactmogelijkheden aangeboden worden.

Hierna werd ingegaan op de opbouw van het bevolkingsregister in het verleden. Vanaf ongeveer 1650 hadden alle huizen een uniek huisnummer. Aan de hand van de loopwijzer konden hele dorpen gereconstrueerd worden.

Vanaf 1563 (concilie van Trente) Bestaan de D.T.B. (Doop-, Trouw- en Begrafenisregisters). Helaas vertonen deze veel hiaten en een groot nadeel is dat ze in het Latijn geschreven zijn. De ene pastoor was de andere niet en met name met de schrijfwijze van voor- en familienamen werd slordig omgegaan. Tot ver in de 18e eeuw waren er geen vaste voorschriften. Het boeiende relaas van de heer Hanssen werd gelardeerd met veel boeiende en soms ook hilarische anekdotes.

De laatste avond werd gevuld met de mogelijkheden die internet biedt. Eerst een demonstratie en uitleg van Genlias, daarna de site van “Family Search” en daarna de mogelijkheden die “Digitale bronbewerkingen NE en BE” biedt. Voor mensen die op Duitse sites iets willen zoeken is “Patrimonium Verlag”, vooral voor de grensstreken, een uitkomst. Via “Gendalin” zijn veel Limburgse gegevens op te vragen. Tenslotte werd nog geprobeerd om een oud kerkregister te lezen. Ziet er in feite moeilijker uit dan het is, als je maar een paar basisbegrippen en termen kent (volgens de inleider). De avond werd besloten met een vragenrondje waarin eenieder vragen kon stellen over zijn of haar stamboomonderzoek.

Na afloop bedankt de inleider, de heer Jan Hanssen, iedereen voor de getoonde belangstelling, hij benadrukt dat vier lessen in feite te weinig zijn, en wenst iedereen veel succes met het onderzoeken van zijn of haar stamboom.

De secretaris van de kring Ter Horst bedankt de inleider voor zijn boeiende presentaties, en ook hij wenst de deelnemers veel succes bij de navorsingen naar hun voorouders.

Verslag: Jan Vissers

 

Lezing Griendtsveen

23 februari 2011

Na de pauze na afloop van de jaarvergadering hield de heer Wien van Mullekom een boeiende lezing over de ontwikkeling van het veendorp Griendtsveen. Hierbij werd hij ondersteund door een fraaie power-point-presentatie gemaakt door Pieter Jakobs in samenwerking met de heer van Mullekom. Eerst schilderde hij het ontstaan van het hoogveen uit duizenden plantjes die afsterven, verrotten en een dikke laag vormen, soms wel zeven meter dik. De Peel is zo’n gebied. In de 19e eeuw werden de dorpen Helenaveen en later Griendtsveen gesticht door Jan van de Griendt en zijn zonen Jozef en Eduard.

In Griendtsveen ontstond een bloeiende industrie waar in de hoogtijdagen wel 2200 arbeiders werkzaam waren. Tussen 1885 en 1910 werd een compleet nieuw dorp uit de grond gestamp met fabrieken, een kerk, een klooster, een station, haven, een school en winkels. Voor de arbeiders werden, vaak kleine, woninkjes gebouwd. De architect Louis Kooken, gemeentearchitect van Eindhoven, speelde hierbij een belangrijke rol. Voor de arbeiders werden ook kazernes gebouwd. De arbeiders sliepen en aten met 20 man bij elkaar in een zogenaamde “keet”. Een vrouw zorgde voor het koken van stevige kost en de schoonmaak. Zij werden wel eens gekscherend “keetwijf” genoemd. Tot 29 juni werd er turf gestoken, daarna was het te laat om hem nog voor de winter te laten drogen. De uitgestoken plaggen moesten regelmatig gedraaid en herstapeld worden. Hiervoor werden vrouwen en kinderen ingezet. Turf werd over de hele wereld gebruikt als brandstof en later ook als turfstrooisel bij de paarden van de paardentrams.

Van bijna alle karakteristieke plekjes en gebouwen had de heer van Mullekom oude foto’s in zijn power-pointpresentatie op laten nemen en overal had hij een passend verhaal bij paraat. Over de hoofdonderwijzer die voor 1200 gulden per jaar naar Griendtsveen kwam, over de “Grote” en de “Kleine” villa van de familie van der Griendt, over het klooster met de zusters die tevens het ziekenhuisje bestierden en over de “Morgenstond”. Het kerkje, gebouwd door architect Hubert van Groenendael, was gewijd aan de heilige Barbara, beschermheilige van de mijnwerkers maar ook van de turfstekers. Na 1956 was het afgelopen met het turfsteken en moest het dorp Griendtsveen, dat geen verleden had vanuit de landbouw, zich toch staande proberen te houden. Er is nog wel een basisschool maar veel andere zaken zoals het klooster met het ziekenhuis en veel winkels zijn al verdwenen. Dat was en is nog steeds moeilijk. Er zijn herbouwplannen om het oude station te herbouwen en te gaan gebruiken als een soort museum. De heer van Mullekom noemde het een dorp met alleen maar een verleden. Op 6 juli aanstaande gaan we alles wat er nog over is van Griendtsveen tijdens onze zomerwandeling onder leiding van de heer van Mullekom, bekijken.

Verslag: Jan Vissers

 

Bezoek aan de Sint-Norbertuskerk te Horst met een toelichting door de heer Jeu van den Beuken

26 januari 2011

60 Belangstellenden maakten gebruik van een van de laatste gelegenheden om de Norbertuskerk in Horst te bezoeken. Deze kerk zal per 1 februari 2011 onttrokken worden aan de eredienst en dus buiten gebruik gesteld worden. De laatste eredienst is op zondag 30 januari 2011.

De heer J. van den Beuken, lid van het kerkbestuur van Horst, kijkt nog eens terug op de ontstaansgeschiedenis van de kerk. Ook geeft hij een toelichting op het kerkgebouw zelf en de architect, de kunstschatten en de overige inventaris.

De kerk van de Norbertusparochie werd in december 1963 ingewijd. Ze moest gebouwd worden in het uitbreidingsgebied van Horst-Noord, de Veld-Oostenrijk, waar 1.200 woningen gepland stonden. Deken Debije van Horst maakte op 12 januari 1958 bekend dat de kerk daadwerkelijk gebouwd zou worden. De bewoners van Veld-Oostenrijk hadden jaren bijgedragen aan de bouw van de Lambertuskerk. Het werd dan ook als billijk gezien dat de leden van de parochie van H. Lambertus meebetaalden aan de nieuwe kerk. De inwoners van Horst waren solidair. Ze droegen allen een steentje bij aan het realiseren van de nieuwe kerk en stortten hun bijdrage in het vanaf 1960 genaamde 'Norbertusfonds'.

De Norbertuskerk in Horst is een van de weinige kerken in de regio die niet gebouwd is op de fundamenten van een door in 1944 terugtrekkende Duitsers vernielde kerk. In 1960 kreeg kapelaan Theunissen opdracht de nieuwbouw te realiseren. Bouwpastoor Theunissen bezocht, samen met deken Debije, kerken van architect H.M. Koldewij in Hilversum en Amersfoort. De kerk van Malden stond uiteindelijk model voor de nieuwe kerk in Horst. De kerk en de parochie werden benoemd naar de H. Norbertus van Gennep. Bouwpastoor L.A. Theunissen was afkomstig uit die plaats. Hij liet bij de keuze van deze naam ook meespelen, dat de Norbertijnen eeuwenlang belast waren met de zielzorg in Horst.

Ruime belangstelling voor deze (bijna) laatste gelegenheid om deze kerk te bezoeken

Het ontwerp van architect Koldewij werd na enkele aanpassingen goedgekeurd. Twee patiobungalows tegen de zuidgevel vormden een pastorie en een kapelanie. De kerk werd in augustus 1962 aanbesteed. De firma Haegens-Martens kreeg de opdracht om de kerk te bouwen. De eerste steenlegging vond plaats op 28 april 1963. Jan Koldeweij (de broer van de architect) ontwierp het doopvont, tabernakel, processiekruis en de kandelaars. Het grote gebrandschilderde raam aan de voorkant van de kerk werd ontworpen door Jacques Frencken. Deze mooie ramen worden beschouwd als hoogtepunt in zijn oeuvre. In 1990 werd toestemming gevraagd om een kapel te bouwen die de hele dag open kon zijn en die tevens voor kleinere groepen te gebruiken was. Architect W.J. Berkemeijer maakte het ontwerp dat op 29 mei 1990 werd goedgekeurd. De firma Verschueren Orgelbouw uit Heythuizen bouwde in 1969 het huidige orgel. Ze gebruikte daarbij onderdelen van een Smitsorgel, gebouwd door de Brabantse orgelbouwer Smits.

Verslag: Pieter Jakobs

 

Lezing 'De schilder Henri Jonas' door J. Min

19 januari 2011

54 Belangstellenden bezochten deze boeiende lezing waarin de heer Min uitvoering het leven beschreef van de schilder Henri Jonas uit Maastricht. Hij werd geboren in 1878 waar hij na de lagere school huisschilder werd, net als zijn vader. In 1903 trouwde hij met Jenneke Roukens. Deze stierf al vroeg, tot groot verdriet van Jonas, aan tuberculose in 1915.

Al vroeg volgde Jonas tekenlessen bij Rob Graafland en na het overlijden van zijn vrouw stopt Jonas met zijn beroep als huisschilder en gaat naar Amsterdam studeren aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. Daarna maakte hij reizen naar Parijs en Brussel. Later vestigde hij zich weer in Maastricht aan de Looierstraat 10 (het huis met de roos). In 1921 volgde de kennismaking met de architect Boosten die de Koepelkerk in Maastricht ontwierp. Zij bleven hun hele leven lang vrienden van elkaar.

In 1925 ontmoette hij Eugénie, een gescheiden vrouw, waarmee hij niet mocht trouwen. Jonas raakte hierdoor in een diepe depressie, zijn tweede al, en werd opgenomen, eerst in Maastricht in de Calvariënberg en later in Heiloo en Venray. De heer Min beschreef deze periode als: 'Een leven lang lijden', zijn behandeling en zijn therapie, geïllustreerd met schilderijen, brieven en kaarten waaruit zijn Jonas’ worsteling bleek. Als therapie schilderde hij vele doeken, vaak met zijn onmogelijke liefde als onderwerp.

In 1938 keert hij terug naar Maastricht en trouwt in Luik met zijn Eugénie (Boosten is getuige). Na het uitbreken van de tweede wereldoorlog wordt hij in 1941 weer opgenomen in het Maastrichtse ziekenhuis Calvariënberg, naar verluid om hem te beschermen tegen deportatie door de Duitsers in verband met zijn gedeeltelijke Joodse afkomst. Hier had hij een eigen kamer en atelier. Op 15 september 1944, een dag na de bevrijding van Maastricht, sterft Jonas op 66-jarige leeftijd.

Als in 1953 in Venray een grote overzichtstentoonstelling van werken van Jonas, die in Venray zijn achter gebleven, wordt gehouden, laat zijn weduwe beslag leggen op de 63 schilderijen. Zij vindt dat de werken van haar zijn en niet van de congregatie of behandelende artsen. Na een jarenlang juridisch gevecht, Eugénie sterft in 1954, sturen de nabestaanden aan op een schikking en worden de schilderijen tussen de erfgenamen en de Venrayse bezitters verdeeld.

Verslag: Jan Vissers

 

Kleine excursie naar Gemeentemuseum Het Land van Thorn met de expositie 'Kelten, Romeinen en Merovingers'

29 december 2010

Als aanvulling op de lezing "De Kelten" was op 29 december een kleine excursie naar het Gemeentemuseum van Thorn georganiseerd. Met 18 man werden we eerst verwelkomd bij Bakkerij/Lunchroom Housmans alwaar lekkere koffie met vlaai voor ons werd geserveerd. Daarna naar het museum dat ernaast gelegen was. In het museum werden we ontvangen met een videofilm over Thorn die in een kort bestek de grote historie van het stadje toelicht. De geschiedenis van de prachtige (voormalige) abdijkerk, de abdisvorstinnen en de adellijke stiftsdames kwam aan de orde maar ook de recente muziekgeschiedenis van het stadje.

Vervolgens konden we de vaste en de wisselexpositie gaan bezichtigen. Het museum beschikt over moderne audiovisuele apparatuur en dat maakt een bezoek extra aantrekkelijk omdat per onderwerp een gesproken toelichting wordt gegeven. De wisselexpositie "Kelten, Romeinen en Merovingers" toont vondsten van munten, wapens, potten, sieraden en andere zaken die deze oude streekbewoners hebben achtergelaten. Ook kon het prachtige panorama van de stad Thorn worden bezichtigd, gemaakt door Frans van de Berg en Theo van der Linden en na een 8-jarige bouwperiode voltooid in 1985.

Nadat we de in de sneeuw vastzittende auto's weer hadden vlotgeduwd konden we tevreden huiswaarts gaan.

Verslag: Pieter Jakobs

 

Lezing over Noord-Limburg tussen 1850 en 1950 door dr. A. de Bruin

15 december 2010

In aansluiting op de officiële presentatie van het boek Noord-Limburg, integraal bekeken. Een zoektocht naar de wortels van een cultuur. 1850-1950 in het Limburgs Museum, waar het eerste exemplaar werd aangeboden aan de directeur Drs. J.W.M. Schatorje, vond op 15 december 2010 een lezing plaats door Dr. A. de Bruin voor de leden en belangstellenden van het LGOG Kring ter Horst in zaal De Leste Geulde te Horst.

André de Bruin (links) wordt welkom geheten door Kringvoorzitter Jan Vissers

In een lezing van anderhalf uur gaf Dr. A. de Bruin een beknopte uiteenzetting om de wortels van de cultuur over de periode 1850-1950 in Noord-Limburg bloot te leggen, d.w.z. van de levens-, denk- en scheppingsvormen. Het gaat over zich geleidelijk ontwikkelende samenlevingen en de voorgeschiedenis van de huidige fusiegemeenten in Noord-Limburg, met hun eigen karakteristieke eigenschappen als sociaal, economisch, politiek en kerkelijk verleden. Problemen als drankmisbruik en criminaliteit, seksuele moraal worden genoemd. Ook aandacht voor de volksgeneeskunde, zonderlingen en wonderdokters, medische zorg en infrastructuur. Dankzij “Den Haag” kon Noord-Limburg zich in deze jaren economisch ontwikkelen door grote investeringen in de infrastructuur, o.a. kanalisatie, bruggen, spoorwegen en de ontginning van de Peel. Ook de mijnbouw en de ontwikkeling in de landbouw en veeteelt brachten economisch gewin. De wederopbouw na de oorlog gaf een impuls aan de werkgelegenheid m.n. in de bouwsector.

De plaats van de Rooms Katholiek Kerk in deze periode is een belangrijke factor. De rol van de geestelijken en opbouwwerkers zijn erg bepalend. In het boek wordt uitvoerig stil gestaan bij de antipathie jegens protestanten etc. de zogenaamde 'vergiften van Hollandse bodem'. Aandacht ook voor weinig bekende verzetsverhalen, zoals het artsenverzet tegen de nationalisatie van de gezondheidszorg. Ook het kunstenaarsverzet krijgt aandacht door hun samenkomsten in de melkfabriek 'De Stoom in Sevenum en andere plekken waar kunstenaars samen aan cultuur deden. Bekende namen als Eduard Verkade, Albert van Dalsum, Paul Huf en Anton van Duinkerken waren hierbij aanwezig.

Na de lezing ontvingen de heren Piet van Enckevort en Wim Moorman een boek uit handen van Andre de Bruin voor hun aandeel in de uitgave van het boek.

Verslag: Arie Snellen

 

Lezing 'De Kelten'  door J. Leemans en R. van Vlijmen

3 november 2010

De heer Jan Leemans en mevrouw Riny van Vlijmen brachten een boeiende lezing over "de Kelten". De voordracht bestond uit twee delen. Nadat met allerlei foto's de vraag "wie zijn dat toch, die Kelten" een eerste antwoord kreeg, werd daarna aangetoond in hoeverre Grieken en Romeinen een vertekend beeld hebben doorgegeven. Vertekend omdat archeologische vondsten een heel ander beeld geven. Vondsten uit de Theems, uit Ierland maar ook bijvoorbeeld de beroemde "Schijf van Helden" en een beker uit Denemarken bewijzen dit.

Jan Leemans

Maar ook de politiek en het toerisme (en vooral de Romantiek) vertekenden het ware beeld van de Kelten. Met meerdere voorbeelden werd dit aangetoond. Op Keltische cultuurdagen met voordrachten uit oude "echte" Keltische verhalen, met "echte" Keltische muziek en in "echte" klederdrachten wordt dit beeld telkens weer bevestigd. Als mooi voorbeeld werd een fragment uit Deirdre en de Zonen van Usnach van A. Roland Holst voorgedragen, begeleid door Keltische muziek. Overigens werd telkens opgemerkt in hoeverre in elk vertekend beeld een kern van waarheid schuilt.

In het tweede deel werd de historische kernwaarheid chronologisch gebracht. Daarbij bleek dat men moeilijk kan spreken over dé Kelten. Alsof het één volk, een rijk zou geweest zijn van 1000 vóór Christus tot 1000 na Christus en ineens over een gebied van de Donaumonding tot Ierland. Handiger is het te spreken over de Keltische cultuur die in die tijd en in dat gebied werd doorgegeven. De vraag 'Wie zijn toch die Kelten?' verlegde zich dan naar 'Wat is dat, Keltisch?'. Dan blijkt dat de kern zit in het feit dat vanuit het Midden-Oosten de vondst werd doorgegeven van het gebruik van ijzer. Aangetoond werd welke enorme invloed het gebruik van brons maar vooral ijzer op het leven van mensen heeft gehad die deze ontdekking op paarden vanuit het oosten stap voor stap hier naar het westen brachten. Keltisch wil dan allereerst zeggen dat er een "begin kwam van de ijzertijd" in genoemd gebied. Natuurlijk brachten die eerste groepen Keltisch levende mensen ook hun taal mee. Opgemerkt werd hoe moeilijk het is om resten daarvan terug te vinden in onze talen.

Riny van Vlijmen

Daarna werden de hoogtepunten van de Keltische cultuur achtereenvolgens beschreven en met foto's getoond: de Hallstatt-cultuur van 750 voor Christus; de vorstengraven in Zuid-Duitsland (en later ook in onze streken!); de La-Tène-cultuur van ongeveer 500 v.C.; de ontmoeting met Etrusken en later met Grieken in het Rhônedal; de botsing met de Romeinen; maar vooral hoe levenswijze, godsdienst en kunst (vooral eerst in Ierland) bewaard bleef hoewel verchristelijkt.

Een grote groep belangstellenden volgde deze lezing en naderhand werden nog verschillende vragen gesteld en beantwoord. De mooie PowerPointpresentatie met maar liefst 160 verschillende foto's en de muzikale ondersteuning evenals een korte literaire voordracht maakte deze avond tot een bijzondere, "anders dan anders". Tevreden gingen de meer dan 70 luisteraars naar huis.

Verslag: Marcel van den Munckhof

 

Lezing 'De crisis van het Interbellum' door dr. G. Verbeet 

15 september 2010

Op 11 november 1918 werd na de Eerste Wereldoorlog met vier jaren vol bittere ellende, de Wapenstilstand gesloten. Nederland was neutraal in de Eerste Wereldoorlog. Het had echter had de reputatie van een sterke Duitsgezindheid in die tijd. We dreven veel handel met Duitsland en de Rotterdamse haven vervulde daarin een spilfunctie. Er waren verdachtmakingen dat de Duitsers in de Eerste Wereldoorlog over Nederlands grondgebied naar Visé waren gemarcheerd. Veel vluchtelingen uit België werden in Nederland opgevangen, het aantal liep op tot 1 miljoen. Enkelen konden het zich permitteren om in een hotel te verblijven, maar de meesten verbleven in kampen. De Nederlandse ontvangst werd niet in alle opzichten zo gewaardeerd, speciaal over het eten was men niet erg tevreden.

België eiste schadevergoeding van Nederland en Duitsland omdat het zoveel had geleden van de Eerste Wereldoorlog, terwijl het ook neutraliteit nastreefde. Van Duitsland kreeg België geld en het gebied rond Eupen en Malmédy als schadevergoeding. Bij het formuleren van een voorstel voor een Nederlandse compensatie hadden de Belgen de traumatische splitsing van Limburg in gedachten. Deze provincie, die geheel Belgisch werd na de afscheiding in 1830, werd in 1839 gesplitst in een Nederlands en een Belgisch deel met het criterium dat het aantal inwoners van beide delen dan 168.000 moest zijn. De Belgen hadden veel geïnvesteerd in Limburg en waren daar veel van kwijtgeraakt. Zij eisten een teruggave van het Nederlandse deel. Nederland zou dan gecompenseerd kunnen worden door het annexeren van een strook van Duitsland die grofweg loopt van Mönchengladbach naar Kleef. Maar tegen dit plan was veel internationale tegenstand, van Nederland, Amerika en Engeland. Alleen Frankrijk zag er wel iets in. In het verdrag van Versailles werd geen gebiedscompensatie aan België toegekend.

Dit was niet goed voor de Nederlands-Belgische verhoudingen tijdens het interbellum. Zo was er onder andere ruzie over het Maaswater. De Belgen hadden nieuwe kanalen gegraven en gebruikten daarvoor veel Maaswater. Zoveel zelfs dat scheepvaart in Nederland bijna onmogelijk werd.

De nasleep van de Eerste Wereldoorlog was echter veel ingrijpender dan alleen een gestoorde relatie met België. Zo kwam ook de economische ontwikkeling tot stilstand, niet in de laatste plaats door een strikt bezuinigingsbeleid van Colijn.

De heer Verbeet schetst uitvoerig de sociale en economische omstandigheden in deze periode en maakt daarin vergelijkingen met de huidige tijd. Er zijn vele redenen waarom juist die periode van van 1914 tot 1940 zo moeilijk is: een harde gulden, gebrek aan voldoende uitvoer naar het buitenland, grote werkloosheid, lage werkeloosheidsuitkeringen, bezuinigingen en een wereldcrisis maakten dat er veel armoede en sociale ontreddering was. Kenmerkend voor die tijd is het liedje dat in die tijd in Maastricht gezongen werd: "Meer heet geen Brook aon, pa heet ze mét nao de Peel".

Verslag: Pieter Jakobs